Gepubliceerd op donderdag 19 oktober 2023
IEF 21727
Rechtbank Zeeland-West-Brabant ||
11 okt 2023
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 okt 2023, IEF 21727; ECLI:NL:RBZWB:2023:7105 (Buma/sena tegen gedaagde), https://delex.nl/artikelen/gedaagde-beschikte-nog-steeds-niet-over-muzieklicentie

Gedaagde beschikte nog steeds niet over muzieklicentie

Rb. Zeeland-West-Brabant 11 oktober 2023, IEF 21727; ECLI:NL:RBZWB:2023:7105 (Buma/Sena tegen gedaagde). Buma is een belangenbehartigingsorganisatie voor muziek-auteursrecht. Sena is belast met de inning en verdeling van billijke vergoedingen voor de artiesten die hun auteursrechten hebben overgedragen aan Buma. Buma en Sena sluiten tevens licentiecontracten af met openbaarmakers van muziek. Gedaagde is een onderneming die een brasserie exploiteert. Gedaagde heeft muziek ten gehore gebracht die behoort tot het Buma-repertoire, waarvoor geen licentie met Buma en Sena is afgesloten. Bij vonnis in kort geding is aan gedaagde een verbod opgelegd om muziekwerken ten gehore te brengen behorende tot het repertoire van Buma op straffe van een dwangsom. Hierna zijn wederom overtredingen geconstateerd, waarvan de dwangsommen niet betaald zijn. Buma heeft later beslag gelegd bij gedaagde wegens de proces- en executiekosten van het vonnis in kort geding. Gedaagde heeft in 2022 via Buma en Sena muzieklicenties aangevraagd. Buma en Sena eisen schadevergoeding wegens inbreukmakend handelen van gedaagde van 2019 tot 2021. Gedaagde voert aan dat door het beslag deze vergoeding al is voldaan voor de jaren 2020 en 2021. Daarnaast is volgens gedaagde geen sprake van het openbaar maken van muziek op bepaalde momenten, omdat toen alleen medewerkers van de brasserie aanwezig waren.

De kantonrechter oordeelt dat vaststaat dat geen licentieovereenkomst bestond van gedaagde met Buma en Sena en dat muziek van het repertoire van Buma wel is afgespeeld door gedaagde. De rechtbank oordeelt dat dit leidt tot de conclusie dat in alle drie de jaren muziek openbaar werd gemaakt zonder over een daartoe bestemde licentie te beschikken. Het verweer dat op het moment van afspelen alleen drie werknemers aanwezig waren in de brasserie, treft geen doel. Op de momenten die gedaagde bedoelt, was de brasserie namelijk gewoon geopend en voor het publiek toegankelijk. Daarnaast is een muzieklicentie vereist indien muziek hoorbaar is voor klanten of meer dan twee werknemers. Gedaagde heeft dus inbreuk gemaakt op de auteursrechten en naburige rechten van Buma en Sena in 2019, 2020 en 2021. Gedaagde heeft daarnaast door het beslag niet de vergoeding voldaan, omdat het beslag alleen zag op de proces- en executiekosten. De openstaande resterende bedragen over de jaren 2019, 2020 en 2021 zijn daarmee nog steeds verschuldigd.

3.4.

De kantonrechter overweegt als volgt. Als onvoldoende betwist staat vast dat [gedaagde] in de jaren 2019, 2020 en 2021 geen licentieovereenkomst heeft gesloten met Buma en Sena. Verder staat als onvoldoende weersproken vast dat de relatiemanager van Buma en Senaop 23 mei 2019 bij [gedaagde] het openbaar maken van muziek heeft geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte. Van dit bezoek is een rapport opgesteld dat is overgelegd als productie 2a bij dagvaarding. De stelling van [gedaagde] – dat van dit bezoek geen stukken zijn overgelegd – is dan ook onjuist. Verder geldt dat [gedaagde] ook in de kort geding procedure niet heeft weersproken dat op 23 mei 2019 in haar brasserie in het openbaar muziekwerken ten gehore werden gebracht die behoorden tot het Buma-repertoire (zie r.o. 3.4.van het vonnis in kort geding van 9 december 2019). [gedaagde] heeft ook niet (gemotiveerd) betwist dat DPB op 14 september 2020 en 17 september 2020 wederom het openbaar maken van muziek heeft geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte. De processen-verbaal van constatering en bijbehorende bewijzen zijn overgelegd bij dagvaarding als producties 3a tot en met 3f. Dat op het stuk van Sena (productie 3b bij dagvaarding) een onjuiste datum stond vermeld (2017 in plaats van 2020) aangaande haar rechten met betrekking tot het nummer “Stil in mij” van Van Dik Hout, neemt niet weg dat [gedaagde] dit nummer ten gehore heeft gebracht zonder over de daartoe benodigde licentie te beschikken. Dat is door [gedaagde] ook niet als zodanig betwist. [gedaagde] heeft

evenmin weersproken dat op respectievelijk 17 en 19 september 2021 wederom het openbaar maken van muziek is geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte (productie 3d tot en met 3f bij dagvaarding en productie 5 bij conclusie van antwoord). 

3.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat in alle drie de jaren (2019, 2020 en 2021) het openbaar maken van muziek is geconstateerd zonder dat [gedaagde] over de daartoe benodigde muzieklicenties beschikte. Het verweer van [gedaagde] – dat geen sprake van het openbaar maken van muziek omdat op de gestelde tijdstippen geen klanten in de brasserie waren, maar slechts 3 werkzame personen aldaar – treft geen doel. [gedaagde] was op de gestelde data – zo staat onweersproken vast – voor het publiek toegankelijk, zodat de muziek hoorbaar was, ongeacht of er op dat moment klanten/publiek waren in de brasserie of niet. Uit productie 11 bij conclusie van repliek – waarvan de juistheid van de inhoud door [gedaagde] niet is betwist – volgt dat er een muzieklicentie nodig is als de muziek hoorbaar is voor klanten en/of publiek en als er meer dan twee medewerkers in dienst zijn die naar de muziek luisteren. Uit de eigen stellingen van [gedaagde] blijkt dat (ook) de tweede situatie zich heeft voorgedaan, nu zij zelf stelt dat er destijds 3 medewerkers in de brasserie werkzaam waren op de betreffende dagen.