Gepubliceerd op vrijdag 14 maart 2025
IEF 22601
Rechtbank Den Haag ||
12 mrt 2025
Rechtbank Den Haag 12 mrt 2025, IEF 22601; ECLI:NL:RBDHA:2025:3634 (Secrid tegen gedaagde), https://delex.nl/artikelen/geldige-schorsing-van-de-procedure-in-geschil-over-kaarthouders-van-secrid

Geldige schorsing van de procedure in geschil over kaarthouders van Secrid

Vzr. Rb. Den Haag 12 maart 2025, IEF 22601; ECLI:NL:RBDHA:2025:3634 (Secrid tegen gedaagde). Secrid ontwikkelt en verkoopt portemonnees onder het ingeschreven merk SECRID. Zo verkoopt zij onder andere de Miniwallet en de Slimwallet, die kaarthouders zijn met een trapsgewijs systeem dat naar boven kan worden geschoven, met een lederen omslag. Secrid is houder van verschillende modelregistraties (hierna: de Secrid-modellen). Gedaagde, tevens eiser in incident, is eigenaar van een Poolse eenmanszaak die via zijn website lederen producten, waaronder portemonnees, op de markt brengt. De website is te bezoeken vanuit diverse landen, waaronder de Benelux. Tot deze producten horen ook kaarthouders in verschillende uitvoeringen. Secrid meent dat hiermee inbreuk wordt gemaakt op haar rechten en nadat er geen gehoor was gegeven aan de sommatie, startte zij deze kort geding-procedure. Secrid vordert een verbod op inbreuk van haar modellen, woordmerken, auteursrechten en slaafse nabootsing en stelt dat gedaagde nagenoeg identieke portemonnees verhandelt, zonder toestemming haar merknaam gebruikt. Gedaagde voert geen verweer, maar dient wel een incidentele vordering tot schorsing van de procedure in.

In het incident vordert Eureka, een besloten vennootschap die gedaagde naar Pools recht heeft opgericht, schorsing van de zaak totdat het HvJEU prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 10 GModVo heeft beantwoord, of schorsing op grond van artikel 225 lid 1 sub c Rv. Gedaagde stelt dat de antwoorden op de prejudiciële vragen essentieel zijn om te voorkomen dat een modelrechtelijke inbreuktoets wordt gehanteerd die in strijd is met Europese jurisprudentie. Het verzoek tot schorsing zou ruimte geven om Eureka, als rechtsopvolger van de eenmanszaak, adequaat in het geding te betrekken. Secrid stelt dat gedaagde met dit verzoek misbruik maakt van haar recht, maar dit verweer slaagt niet. Zij heeft namelijk niet betwist dat de eenmanszaak van gedaagde is omgezet in Eureka. Ook heeft ze haar conclusie mede aan Eureka gericht. Daarom is er geen reden meer om het verzoek tot aanhouding te behandelen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de procedure geldig is geschorst en dat Secrid de mogelijkheid heeft om Eureka op de juiste wijze in het geding te betrekken.

5.7. Het verweer van Secrid tegen de schorsing slaagt niet. Secrid betwist immers niet de met een ‘notification of conversion’ onderbouwde stelling dat de eenmanszaak van [gedaagde] op 1 oktober 2024 is omgezet in Eureka en richt haar conclusie van antwoord in de incidenten (mede) aan Eureka. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [gedaagde] althans Eureka bij de ingeroepen schorsingsgrond geen belang heeft, althans daardoor misbruik maakt van recht althans bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW zou maken. Daargelaten wat het eventuele gevolg is voor de positie van [gedaagde] als natuurlijke persoon in onderhavig geschil, stelt de rechtbank vast dat door het door Eureka als belanghebbende inroepen van de schorsingsgrond de procedure geldig is geschorst op de datum waarop de akte ter rolle is genomen. Als partijen de wil hebben om Eureka in deze procedure te betrekken, dient Eureka daartoe op de juiste wijze te worden opgeroepen. De schorsing biedt Secrid de ruimte om Eureka – al dan niet als opvolgende partij – op de juiste wijze in deze procedure te betrekken. Nu zulks nog niet is gebeurd en Secrid evenmin te kennen heeft gegeven Eureka niet in het geding te willen betrekken, wordt aan haar uiterst subsidiair gedane verklaring (vgl. randnummer 43, laatste zin, van de conclusie van antwoord in de incidenten) voorbij gegaan.