Auteursrecht  

IEF 9846

Gehuurde standplaatsen

Rechtbank 's Gravenhage 22 juni 2011, HA ZA 07-1758 (Stichting de Thuiskopie tegen gedaagde sub 1 t/m 5)

Sluit nauw aan bij IEF 9791. Collectief beheer. Blanco dragers. Bewijs. Vordering voor heffingen verkoop blanco dragers op diverse beurzen in Nederland. Op gedaagde sub 1 na, verschijnen de Duitse gedaagden niet en worden vorderingen toegewezen. Bewijs: niet in alle gevallen slaagt Stichting de Thuiskopie aanwezigheid te bewijzen. Huur van standplaatsen bij Nederlandse beurzen.

Rechtbank verbiedt import en verhandeling zonder verschuldigde thuiskopievergoeding te voldoen voor alle gedaagden. Voor gedaagden sub 2 - 5: Beveelt gespecificeerde opgave. Overleggen van alle bescheiden. Forse dwangsommen, zie dictum: bijvoorbeeld opgelegd resp. 250 per drager of €10.000 per dag met een maximum van €1 miljoen.

2.20. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat [Gedaagde sub 1] uitsluitend verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verkopen op de beurs van 1 oktober 2006 in de Rijnhallen in Arnhem. [Gedaagde sub 1] heeft niet bestreden dat hij de blanco gegevensdragers die hij op die beurs heeft verkocht, ook heeft geïmporteerd. [Gedaagde sub 1] is dus verplicht tot betaling van de over die gegevensdragers verschuldigde thuiskopievergoeding. Gesteld noch gebleken is dat die vergoeding is betaald.

2.21. Wat betreft het aantal door [Gedaagde sub 1] voor de beurs van 1 okotber 2006 geïmporteerde gegevensdragers zal de rechtbank uitgaan van de opgaven die [Gedaagde sub 1] heeft overgelegd en die zijn voorzien van een accountantsverklaring (productie 21 van [Gedaagde sub 1]). De Stichting heeft die opgaven bestreden met de stelling dat de opgaven betrekking zouden hebben op verkochte aantallen in plaats van geïmporteerde aantallen. Dat betoog wordt niet ondersteund door het afschrift van de twee opgaven die [Gedaagde sub 1] heeft overgelegd. Die vermelden juist uitdrukkelijk dat het gaat om een aanmelding “bij import of fabricage” (productie 21.2 van [Gedaagde sub 1]) respectievelijk een “aanmelding van geïmporteerde blanco dvd-r/rw” (productie 21.3 van [Gedaagde sub 1]).

Lees het vonnis hier (pdf, LJN)

IEF 9842

Wordt als voldoende prikkel beschouwd

Vrz. Rechtbank Breda 27 juni 2011, KG ZA 11-282 (Dreamgirl Int. en Jörg tegen Benstout)

Met dank aan Rik Geurts en Rutger van Rompaey, QuestIE-advocatuur.

Auteursrechten. Exclusieve licentierechten foto's erotisch lingerie. Slaafse nabootsing. Onrechtmatig handelen.

Dreamgirl ontwerpt en produceert erotische lingerie, exclusieve distributieovereenkomst licentierecht aan Jörg. Aangeboden via www.dreamgirllingerie.nl. Klantenrelatie Benstout beëindigd, ongeautoriseerd gebruik van fotomateriaal ter aanprijzing van erotische artikelen.

Bewijs: Copyright Registration Certificates ingebracht, ogv Amerikaans geregistreerde auteursrecht jo. art. 1 Aw. Verweer: foto's zijn geleverd door een Chinese leverancier. Bereidheid foto's te verwijderen, maar in de toekomst voorziet Benstout problemen, omdat hij niet kan nagaan of foto's afkomstig zijn van Dreamgirl Int. omdat hij niet de catalogi bezit.

Vorderingen toegewezen: nooit toestemming geweest (ook niet toe partijen nog zaken met elkaar deden). Onwetendheid niet aannemelijk, als al sprake is geweest van onwetendheid dan is die door Benstout bewust gezocht. Herhaalde inbreuk. Rectificatie en dwangsom: €500 per dag wordt als voldoende prikkel beschouwd.

3.4. Dreamgirl Inc heeft haar status als auteursrechthebbende van de in het geding gebrachte foto's onderbouwd door overlegging van zogenaamde Copyright Registration Certificates en door verwijzing naar artikel 5 van de "Berner Conventie". De stelling dat Dreamgirl Int. auteursrechthebbende is van de foto's die staan afgebeeld in de overlegde catalogi van Dreamgirl Int. en op de website dreamgirllingerie.com is overigens niet door Benstout betwist. Als uitgangspunt geldt dan ook dat eisers op grond van het in Amerika geregistreerde auteursrecht juncto artikel 1 van de Auteurswet het uitsluitend recht hebben om de in het geding gebrachte foto's openbaar te maken en te verveelvoudigen en dat anderen in beginsel niet is toegestaan dan met voorafgaande toestemming van eisers.

3.5. Volgens eisers hebben zij Benstout nooit toestemming verleend om foto's van Dreamgirl Int. op de website www.benstout.nl af te beelden, ook niet toen partijen nog zaken met elkaar deden. Uit de opstelling van Benstout leidt de voorzieningenrechter af dat Benstout van oordeel is dat hij gedurende de tijd dat hij producten van Dreamgirl Int. verkocht wel toestemming had om de bewuste foto's op zijn website af te beelden.
(...)

3.6. Dat Benstout niet wist dat de foto's van Dreamgirl Int. waren omdat hij die foto's kreeg aangeleverd door een Chinese leverancier met de naam Xinsimei Lingerie Co., welke tevens handelt onder de naam Dglingerie is niet aannemelijk. Als er al sprake is geweest van onwetendheid dan is die door Benstout bewust gezocht. Gezien zijn rechtstreekse bekendheid met de producten en het fotomateriaal van Dreamgirl Int., en in ieder geval na de herhaaldelijke auteursrechtelijke waarschuwingen van Jörg over het onrechtmatig gebruik van de foto\s van Dreamgirl Int. op de website van Benstout.nl, had Benstout onderzoek moeten verrichten naar de oorsprong van de betrokken foto's. Niet uitgesloten kan worden dat het Benstout door zijn bekendheid met Dreamgirl Int. ook zonder onderzoek direct duidelijk had moeten zijn dat sprake was van auteursrechtinbreuk.

3.7. (...) Dat Benstout niet beschikt over de in het geding gebrachte catalogi is aannemelijk aangezien hij geen producten meer afneemt van Jörg. Wel toegankelijk voor Benstout zijn de websites van eisers(...). Het gebod zal daarom worden toegewezen uitsluitend voor zover het foto's betreft die op genoemde websites staan afgebeeld.  voor zover er thans nog foto's op de website van www.benstout.nl staan afgebeeld (...) gevorderde dwangsom zal worden gematigd als hierna in de beslissing te vermelden. Een bedrag van € 500,-- wordt als voldoende prikkel beschouwd, nu Benstout zich berei heeft verklaard aan de vorderingen te voldoen.

Lees de uitspraak hier (pdf)

IEF 9835

Octrooirecht op patenten

Open standaarden en opensourcesoftware bij de Rijksoverheid, Kamerstukken II, 2010-11, 32 679, nr. 5. 

31 Zijn er meer voordelen van opensourcesoftware te noemen, die niet vallen onder het criterium «vaak genoemde voordelen» van de Algemene Rekenkamer? Bijvoorbeeld dat het gebruik van opensourcesoftware de concurrentie bevordert in een markt die gedomineerd wordt door gesloten software, wat leidt tot betere producten en lagere prijzen? Bijvoorbeeld dat bij zakelijk gebruik van opensourcesoftware werknemers thuis kosteloos en legaal dezelfde software kunnen gebruiken, wat het risico van malware voor organisaties vermindert?

De «vaak genoemde voordelen» die het rapport in § 3.3.5 vermeldt zijn niet bedoeld als limitatieve opsomming en er kunnen ook andere voordelen verbonden zijn aan opensourcesoftware. Inderdaad kan opensourcesoftware de concurrentie bevorderen (zie ook ons antwoord op de vragen 19 en 20). In het marktsegment van de contentmanagementsystemen voor websites hebben verschillende softwareleveranciers de markt betreden op basis van opensourcesoftware. In dat marksegment kan nu gekozen worden tussen diverse leveranciers van open en gesloten softwareproducten. Concurrentie bevordert in het algemeen een gunstiger prijs-kwaliteitverhouding. Wij zijn niet nagegaan of dat in dit marktsegment het geval is, maar zien wel dat vaak gekozen wordt voor een opensourcevariant, zoals Hippo (geleverd door het gelijknamige Nederlandse bedrijf), Drupal, Typo3 of Joomla! Nog een ander potentieel voordeel kan zijn een verminderde leveranciersonafhankelijkheid bij onderhoud van software doordat het bij opensourcesoftware in principe eenvoudiger is om het onderhoud bij een andere partij onder te brengen. Bij closedsourcesoftware kan dat lastiger zijn in verband met auteursrecht op broncode en octrooirecht op patenten. Voorwaarde is wel dat er meer opensourceleveranciers zijn die deze diensten kunnen verlenen, omdat anders alsnog een vendor lock-in kan ontstaan. Ook hiervoor geldt dus dat dit mogelijke voordeel zich niet automatisch voordoet bij alle opensourcesoftware. In ons rapport merkten we dit meer in het algemeen op voor vaak genoemde voordelen (§ 3.3.5).

Over het risico van malware merken we het volgende op. Afhankelijk van het door de werkgever afgesloten softwarecontract brengt het thuisgebruik van software wel of niet in substantiële mate extra kosten met zich mee. Wat het in de vraag vermelde risico van malware betreft nemen wij aan dat bedoeld is dat een werknemer minder snel geneigd zal zijn om cracks (gekraakte versies) te installeren als deze thuis gratis legale software ter beschikking heeft. Dat is een plausibele veronderstelling, maar het installeren van cracks is zeker niet de enige en volgens ons ook niet de belangrijkste weg waarlangs een computer thuis besmet kan raken. Het risico van malware is altijd aanwezig en organisaties moeten daarom zowel bij closedsource- als bij opensourcesoftware maatregelen treffen om malware te weren.

Lees verder hier (link)

IEF 9828

Afstand van dat recht

Rechtbank Haarlem 25 mei 2011, HA ZA 10-170 (Han Lans c.s. tegen New York Creatives World Wide B.V. & Monta Street GmbH)

met dank aan Bjorn Schipper, Bousie advocaten

In navolging van IEF 8907 (incident). Auteursrecht. Reclamerecht. Morele rechten. Licentie en schadevergoeding.

Betreffende een voortzetting van een gebruikslicentie van fotomateriaal. Fotograaf Han Lans vordert betaling voor het gebruik van zijn auteursrechtelijk beschermde reclamefoto's door MONTA ter promotie van het straatvoetbal. Zowel materiële als immateriële schadevergoeding afgewezen: "Gezien deze houding van Lans c.s. mocht Monta er redelijkerwijs van uit gaan dat Lans c.s. (stilzwijgend) afstand van zijn recht op naamsvermelding had gedaan.". Betalen licentiekosten werkt bevrijdend.

Niet-ontvankelijkheid 4.4. Het is dan ook aan Lans c.s. om concrete, uitzonderlijke omstandigheden te stellen en te bewijzen, die de conclusie tot vereenzelviging rechtvaardigen. De enkele omstandigheden dat de directeur van NY Creatives (mede) feitelijk leidinggevende van Monta is en dat NY Creatives c.s. als ‘marketingkantoor van Monta’ opereert, zoals Lans c.s. stelt, is daarvoor onvoldoende, nog daargelaten dat een en ander door NY Creatives c.s. gemotiveerd is betwist. Evenmin kan op grond van die omstandigheden worden geconcludeerd dat NY Creatives de fotografische werken van Lans (mede) zélf (her)gebruikt. Daar komt bij dat Lans c.s. niet (voldoende) heeft weersproken dat de facturen voor het maken van de foto’s door NY Creatives, als opdrachtgever daarvoor, zijn betaald, terwijl de vergoeding van EUR 6283,20 voor het gebruik van de foto’s over de jaren 2008 en 2009 door Monta is voldaan. Dat in de eerste facturen die door NY Creatives zijn betaald (mede) een vergoeding voor het gebruik daarvan is inbegrepen, doet aan het voorgaande niet af. Dit brengt met zich dat Lans c.s. niet ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering jegens NY Creatives.

Inbreuk auteursrecht 4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de door Lans (namens Monta) in opdracht van NY Creatives gemaakte foto’s langer zijn gebruikt dan partijen aanvankelijk op het oog hadden. Evenmin is in geschil dat de foto’s nog altijd op de website van Monta zijn te zien, zodat sprake is van openbaarmaking in de zin van artikel 12 van de Auteurswet.

4.7 (…) Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze onderdelen moeilijk anders worden begrepen dan dat de foto’s mochten worden gebruikt op internet en als promotiemateriaal ten behoeve van modebeurzen, welk gebruik in beginsel is beperkt tot een gebruiksperiode van één jaar. Aan dat oordeel draagt bij dat de foto’s sinds 2007 als zodanig zijn gebruikt en dat zowel NY Creatives (zij het als onderdeel van de factuur voor het maken van de foto’s) als Monta de door Lans. c.s. bedongen vergoeding voor dat (her)gebruik hebben betaald. Hieruit volgt dat partijen de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst hebben beschouwd als een beperkte licentie en daarnaar hebben gehandeld. De rechtbank zal hiervan dan ook eveneens uitgaan.

4.8. Nu er sprake is van een (beperkte) licentie, en Monta de door Lans c.s. bedongen vergoeding voor het gebruik van de in de jaren 2010 en 2011 niet heeft voldaan, is sprake van een onrechtmatige openbaarmaking en daarmee van een inbreuk op het auteursrecht van Lans c.s. De hierboven in 3.1 onder A. weergegeven verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.

Algemene Voorwaarden 4.9. Anders dan dat Lans c.s. stelt is de rechtbank echter van oordeel dat de Algemene Voorwaarden niet van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdrahcht c.q. de verleende licentie. In geen van de door Lans c.s. aan NY Creatives c.s. verstuurde facturen is de toepasselijkheid van die voorwaarden bedongen, noch hebben partijen anderszins schriftelijk de toepasselijkheid ervan vastgelegd. Gezien de gemotiveerde betwisting van NY Creatives c.s. had van Lans c.s. een nadere onderbouwing  - welke ontbreekt - mogen worden verwacht dat de Algemene Voorwaarden desalniettemin tóch van toepassing zijn.

Materiële schade 4.10. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn de Algemene Voorwaarden op de overeenkomst c.q. licentie tussen partijen niet van toepassing. De aansluiting die Lans c.s. daarbij zoekte ter onderbouwing van de hoogte van de door hem hierboven (...) gevorderde schadevergoeding ontbreekt derhalve.Ten aanzien van het (her)gebruik van de door Monta valt Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - dan ook niet in te zien, dat en waarom de schade die Lans c.s. heeft geleden als gevolg van het zonder zijn toestemming (her)gebruiken van zijn fotografische werken hoger zou zijn dan het bedrag dat Monta zou hebben betaald in geval toestemming voor dat (her)gebruik zou zijn verleend.

4.11. Na betaling van dit bedrag zal Monta de gebruiksvergoeding voor (2010 en) 2011 hebben voldaan, zodat de vordering als hierboven in 3.1 onder B [staken inbreuk] weergegeven slechts zal worden toegewezen met ingang van 1 januari 2012. Aangezien NY Creatives c.s. ter comparitie (onweersproken) heeft gesteld dat de website van Monta eind 2011  zal worden aangepast en het gebruik van de alsdan sowieso permanent zal worden gestaakt, acht de rechtbank het opleggen van een dwangsom op de veroordeling, zoals Lans c.s. heeft gevorderd, niet noodzakelijk en zal de vordering daartoe dan ook afwijzen.

Immateriële schade:  4.13. Lans c.s. heeft zich daarnaast beroepen op inbreuk door NY Creatives c.s. op zijn persoonlijkheidsrechten doordat zijn naam als fotograaf niet is vermeld bij de openbaarmaking door Monta. Volgens NY Creatives c.s. heeft Lans echter nimmer aanspraak gemaakt op naamsvermelding, noch bezwaar gemaakt tegen openbaarmaking van de zonder vermelding van zijn naam. Gezien deze houding van Lans c.s. mocht Monta er redelijkerwijs van uit gaan dat Lans c.s. (stilzwijgend) afstand van zijn recht op naamsvermelding had gedaan. De rechtbank volgt NY Creatives c.s. in dat verweer. Gesteld noch gebleken is dat Lans c.s. op enig moment tussen de eerste fotoshoot en het uitbrengen van de dagvaarding, welke periode een tijdsbestek van ruim 4 jaar beslaat, aanspraak heeft gemaakt op vermelding van zijn naam als fotograaf van de bewuste op de website van Monta. Daar komt bij dat Lans c.s. niet (voldoende gemotiveerd) heeft weersproken de stelling van NY Creatives c.s. dat het in de productfotografie te doen gebruikelijk is dat de naam van de fotograaf niet wordt vermeld. Nu artikel 25 Aw geen vereisten stelt aan de wijze waarop afstand van het recht op naamsvermelding kan worden gedaan, verstaat de rechtbank dat Lans c.s. afstand van dat recht heeft gedaan, althans dat zijn (eerst bij dagvaarding geuite) verzet in het onderhavige geval in strijd is met de redelijkheid.

Lees het vonnis hier (pdf).

IEF 9827

Afgifte van de twee blow-ups

Kantonrechter Bergen op Zoom, Rechtbank Breda 8 juni 2011, LJN BQ9116 (Eiser tegen Dyon Caractère vof c.s.)

Modellenburo Dyon Caratere 2005-2011Auteursrecht. Portretrecht. Foto’s. Overeenkomst tot maken van sfeerfoto's van een modecollectie. Eiser stelt "dat Dyon van twee foto's zeer sterke vergrotingen heeft laten maken, die zij ook openbaar heeft gemaakt tijdens modeschows. Dyon heeft die foto's verder niet voorzien van naam van de maker. In deze procedure vordert [eiser] afgifte van de blow-ups en vergoeding van schade" (r.o. 3.1)

Betwisting beperking van gebruik van foto's. Ook is fotograaf niet professioneel fotograaf. Modellen zijn middel om kleding te tonen, geen portretten in de zin van art. 19 Aw. Professionele maker is niet door art. 1 vereist. Overeenkomst laat geen ruimte, geen spraken van gebruik nu slechts een maal eerder is samengewerkt. Vorderingen toegewezen, dwangsom.


3.2 Dyon betwist dat parijen een beperking van het gebruik met betrekking tot de door [eiser] gemaakte foto’s zijn overeengekomen. In het bijzonder betwist zij, dat alleen gebruik op internet zou zijn toegestaan. In dit verband verwijst zij naar afspraken bij een eerdere opdracht van 31 januari 2009. Toen was overeengekomen dat de foto’s gebruikt zouden mogen worden voor reclamedoeleinden. Verder stelt zij, dat de gemaakte affiches zijn aan te merken als portretten in de zin van art. 19 Auteurswet (Aw). Nu op de affiches twee individuele modellen zijn afgebeeld en de affiches mede ten behoeve van hun modellenwerk zijn gemaakt en getoond, is er geen sprake van inbreuk op het vermeende auteursrecht van [eiser]. Verder stelt zij dat [eiser] de foto’s niet heeft voorzien van zijn naam, zodat hij zich niet kan verzetten tegen openbaarmaking zonder vermelding van zijn naam als maker. Verder vindt zij het gevorderde bedrag ter zake van schadevergoeding te hoog, alleen al omdat van de affiches slechts één maal gebruik is gemaakt. Ten slotte stelt zij nog dat [eiser] geen beroepsmatig fotograaf is.

3.3 Art. 1 Aw kent de maker van een werk van kunst het recht toe dit werk openbaar maken en te verveelvoudigen. De wet stelt niet de eis, dat enkel de professionele maker dit recht toekomt.

3.4 De vraag wat partijen zijn overeengekomen wordt niet enkel beantwoord op grond van de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst, maar ook op de zin die partijen over een weer aan elkaars verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten. Dit laat vanzelfsprekend onverlet, dat de bewoor-dingen van belang zijn. Kennelijk hadden partijen voor 23/24 augustus 2009 één keer eerder zaken met elkaar gedaan. Te weinig om tot het oordeel te kunnen komen dat zich een gebruik had ontwikkeld met betrekking tot de inhoud van de overeenkomsten. [eiser] geeft in zijn email aan, dat, afgezien van de fotoshoot voor de cover, de te maken foto’s vrij zijn voor gebruik op internet. Dyon reageert hierop met de mededeling dat maar 2 foto’s naar de drukker gaan voor de mailing (kennelijk de fotoshoot voor de cover, kantonrechter) en de overige foto’s op haar internetpagina komen. De kantonrechter is van oordeel dat de bewoordingen van zowel het aanbod als de aanvaarding geen ruimte laten voor een andere uitleg, dan die [eiser] daaraan geeft. Kortom, Dyon had niet het recht om buiten [eiser] om blow-ups te maken van een tweetal foto’s om daarmee reclame te maken.

3.5 Het beroep van Dyon op het bepaalde in art.19 Aw. treft geen doel. Weliswaar zullen op de foto’s twee modellen afgebeeld staan, de opdracht om de foto’s te maken is niet van hen afkomst. De foto’s zijn ook niet gemaakt om de modellen te portretteren, maar om de door hen gedragen kleding te tonen.

3.6 Ten slotte staat vast, dat Dyon bij de openbaarmaking van de foto’s de naam van echter niet vermeld hebben als de maker van die foto’s.

3.7 De conclusie uit het voorgaande is, dat Dyon inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [eiser]. Zij is schadeplichtig. De kantonrechter zal bij de vaststelling van de schade uitgaan van een eenmalig gebruik van de foto’s, nu niet gebleken is, dat van die foto’s vaker gebruik is gemaakt. De kantonrechter begroot de schade op in totaal € 750,00. Dyon zal de blow-ups af moeten geven. In de beslissing zal de te betalen dwangsom worden begroot en gemaximeerd.

3.8 Dyon moet als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld.

Lees het vonnis hier (link / pdf).

IEF 9816

IE te Rijk

Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 7 juni 2011, nr. 3104145, houdende vaststelling van de herziene Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten (ARVODI-2011), Stcrt. 2011, nr. 10 874. Zie hoofdstuk IE-rechten en toelichting

Het regelen van de intellectuele eigendomsrechten roept in de praktijk allerlei vragen op. De beantwoording daarvan en het omgaan met dergelijke rechten vereist zorgvuldigheid. Om die reden wordt hieronder wat uitgebreider stilgestaan bij dit onderwerp. Ook hier geldt dat men zich van te voren zich een goed beeld moet vormen van wat men precies wil bereiken met de rechten. Dan kan er ook een verantwoorde keuze gemaakt worden voor de overdracht van het intellectuele eigendomsrecht of voor een bepaald gebruiksrecht.

Rijksvoorwaarden voor opdrachtnemers, let op artikel 23 over Intellectuele Eigendomsrechten en de bijbehorende toelichting hierover van de ARVODI-2011;

  • alle intellectuele eigendomsrechten op resultaten liggen bij opdrachtgever (23.1, 23.2),
  • machtiging inschrijving IE in registers (23.3),
  • overdracht persoonlijkheidsrechten (23.5),
  • gebruik door opdrachtnemer en derdenbepaling (23.6),
  • vrijwaring en ontbinding overeenkomst bij schending (23.7-23.8).

23.1 Alle intellectuele eigendomsrechten die kunnen of zullen kunnen worden uitgeoefend – waar en wanneer dan ook – ten aanzien van de resultaten van de verrichte Diensten die Opdrachtnemer voor Opdrachtgever verricht, berusten bij Opdrachtgever.
Deze rechten worden op grond van de Overeenkomst door Opdrachtnemer op het moment van het ontstaan daarvan aan Opdrachtgever overgedragen, welke overdracht door Opdrachtgever reeds nu voor alsdan wordt aanvaard.

23.2 Voor zover de resultaten, bedoeld in het eerste lid, tot stand komen met gebruikmaking van reeds bestaande, niet aan Opdrachtgever toekomende intellectuele eigendomsrechten, verleent Opdrachtnemer aan Opdrachtgever een niet-exclusief gebruiksrecht van onbepaalde duur. Opdrachtnemer garandeert in dat geval gerechtigd te zijn tot het verlenen van vorenbedoeld gebruiksrecht.

23.3 Voor zover voor de overdracht van de rechten, bedoeld in het eerste lid, een nadere akte zou zijn vereist, machtigt Opdrachtnemer Opdrachtgever reeds nu voor alsdan onherroepelijk om zodanige akte op te maken en namens Opdrachtnemer te ondertekenen, onverminderd de verplichting van Opdrachtnemer om op eerste verzoek van Opdrachtgever aan de overdracht van deze rechten medewerking te verlenen, zonder daarbij voorwaarden te kunnen stellen. Opdrachtnemer machtigt voor zover nodig Opdrachtgever hierdoor onherroepelijk om de overdracht van deze intellectuele eigendomsrechten in de desbetreffende registers te doen in- of overschrijven.

23.4 Indien tussen partijen verschil van mening bestaat over intellectuele eigendomsrechten ten aanzien van de resultaten van de verrichte Diensten wordt, behoudens tegenbewijs, ervan uitgegaan dat die rechten bij Opdrachtgever berusten. In alle gevallen mag Opdrachtgever het bij de Overeenkomst beoogde gebruik van de uitkomst van de resultaten maken.

23.5 Opdrachtnemer doet hierbij afstand jegens Opdrachtgever van alle eventueel aan hem, Opdrachtnemer, toekomende zogenaamde persoonlijkheidsrechten als bedoeld in de Auteurswet, in de mate als de toepasselijke regelgeving zodanige afstand toelaat. Opdrachtnemer doet, hiertoe gevolmachtigd, ook namens het aan zijn zijde betrokken Personeel, afstand jegens Opdrachtgever van alle eventueel aan deze personeelsleden toekomende persoonlijkheidsrechten, in de mate als de toepasselijke regelgeving zodanige afstand toelaat.

23.6 Opdrachtnemer mag de resultaten van de verrichte Diensten in generlei vorm aan derden beschikbaar stellen, noch hierover aan derden enige inlichting te verschaffen, tenzij Opdrachtgever uitdrukkelijk toestemming hiervoor heeft verleend. Opdrachtgever kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden.

23.7 Opdrachtnemer vrijwaart Opdrachtgever tegen aanspraken van derden ter zake van (eventuele) inbreuk op intellectuele eigendomsrechten van die derden, vergelijkbare aanspraken met betrekking tot kennis, ongeoorloofde mededinging en dergelijke daaronder begrepen. Opdrachtnemer verplicht zich tot het op zijn kosten treffen van alle maatregelen die kunnen bijdragen tot voorkoming van stagnatie en tot beperking van de te maken extra kosten of de te lijden schade als gevolg van bedoelde inbreuken.

23.8 Onverminderd het hiervoor bepaalde kan Opdrachtgever, indien derden Opdrachtgever ter zake van schending van intellectuele eigendomsrechten aansprakelijk stellen, de Overeenkomst schriftelijk, buiten rechte, geheel of gedeeltelijk ontbinden. Van zijn recht tot ontbinding van de Overeenkomst maakt Opdrachtgever geen gebruik dan na voorafgaand overleg met Opdrachtnemer.

Lees het complete besluit hier (link)

IEF 9812

Complementaire productlijn

Gerecht EU 22 juni 2011, zaak T-76/09 (Mundipharma tegen OHIM-Asociación Farmaceuticos Mundi)

Merkenrecht. Gemeenschapsmerk. Beeldmerkaanvrage FARMA MUNDI FARMACEUTICOS MUNDI (geneesmiddelen), oppositie obv Gemeenschapsmerk MUNDI PHARMA. Complementaire en subsidiaire productlijn, maakt het nog geen soortgelijke waren en/of diensten. Bevestiging gedeeltelijke afwijzing door oppositiedivisie.

29      However, even where the goods in Class 5 covered by the earlier trade mark and the ‘storage, distribution, delivery and packaging of pharmaceutical, sanitary and dietetic preparations’ services in Class 39 covered by the trade mark applied for show some kind of connection between them, in particular in so far as the manufacture and sale of those goods may also involve their storage, delivery, distribution and packaging, that fact is not sufficient for them to be considered complementary in the present case.

30      It should be noted that there is nothing in the file that invalidates the Board of Appeal’s finding, supported by OHIM in its response, that, in essence, the relevant public for ‘storage, distribution, delivery and packaging of pharmaceutical, sanitary and dietetic preparations’ is made up of professionals, while the end consumer of pharmaceutical preparations will buy them, inter alia, from a pharmacy without using those services. As has already been mentioned in paragraph 26, the applicant does not dispute the Board of Appeal’s finding that the relevant public for which the services and goods are intended is different. By definition, goods and services intended for different publics cannot be complementary (see, to that effect, easyHotel, paragraphs 57 and 58).

Lees het arrest hier (link)

IEF 9810

Uw huisstijl in het buitenland

Rechtbank Utrecht 22 juni 2011, LJN BQ8727 (SVT tegen Mediq en Mediveen)

Auteursrecht. Licentie corporate design: logo's en huisstijl. Afbeeldingen in uitspraak. SVT heeft in opdracht van Mediq Apotheken corporate design ontwikkeld waarvoor licentie is verleend voor gebruik in Nederland. Licentievoorwaarden is overtreden door gebruik van huisstijl in België en Polen, contractuele boete van 2 miljoen wordt niet gematigd, van rechtspraak.nl: 

Mediq moet stoppen met gebruik van logo’s en huisstijl in haar apotheken

S.V.T. Branding & Design Group B.V. (eisende partij in deze procedure; hierna te noemen: SVT) heeft in 2005 en 2006 in opdracht van Mediq Apotheken (één van de gedaagden) logo’s, een huisstijl, een brochurelijn en een winkelformule ontwikkeld die gebruikt wordt in apotheken die worden geëxploiteerd onder de naam “Mediq”. SVT heeft aan Mediq Apotheken een licentie verleend voor het gebruik van haar ontwerpen.

SVT heeft bij de rechtbank Utrecht een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen Mediq Apotheken en haar moedermaatschappij Mediq N.V. Zij stelt zich op het standpunt dat Mediq Apotheken en Mediq N.V. in strijd met haar auteursrechten hebben gehandeld door - in strijd met de verleende licentie - haar ontwerpen ook (door buitenlandse dochtermaatschappijen) toe te laten passen in Poolse en Belgische Mediq-apotheken.

De rechtbank is van oordeel dat de aan Mediq Apotheken verleende licentie tevens strekt ten behoeve van Mediq N.V., zodat ook de moedermaatschappij rechten aan deze licentie kan ontlenen. Mediq Apotheken en Mediq N.V. hebben in strijd gehandeld met de aan hen verleende licentie, omdat deze beperkt was tot gebruik in Nederland (en dus tot gebruik in Nederlandse apotheken). Door aan Poolse en Belgische dochtermaatschappijen toestemming te geven voor het gebruik van de ontwerpen van SVT in Poolse en Belgische Mediq-apotheken, en deze vennootschappen de daartoe benodigde specificaties en digitale bestanden te verstrekken, hebben Mediq Apotheken en Mediq N.V. de voorwaarden waaronder de licentie was verleend, overtreden. Op overtreding van de licentievoorwaarden staat een contractuele boete van bijna 2 miljoen euro. De rechtbank gaat niet over tot matiging van dit bedrag en wijst het volledige bedrag toe.

Door de overtreding van de licentievoorwaarden was SVT ook gerechtigd om tot opzegging van de licentie (per 11 november 2009) over te gaan. Omdat Mediq Apotheken en Mediq N.V. na deze opzegging zijn doorgegaan met het gebruiken van de ontwerpen van SVT in Nederland, en in het bijzonder in de Nederlandse apotheken, handelen zij in strijd met het auteursrecht dat SVT heeft op haar ontwerpen. De rechtbank verbiedt Mediq Apotheken en Mediq N.V. daarom om in Nederland nog verder gebruik te maken van de ontwerpen van SVT. Dit betekent onder meer dat Mediq Apotheken en Mediq N.V. de door SVT ontworpen logo’s en huisstijl uit de Nederlandse apotheken zullen moeten verwijderen.

Zij krijgen daarvoor een termijn van 3 maanden. Als zij aan het verbod geen gevolg geven, verbeuren zij een dwangsom die kan oplopen tot 2 miljoen euro.

Mediq Apotheken en Mediq N.V. kunnen volgens de rechtbank niet uit hoofde van het auteursrecht aansprakelijk gesteld worden voor het toepassen van de ontwerpen van SVT in de Poolse en Belgische apotheken, omdat niet zij, maar de buitenlandse dochtermaatschappijen daarvoor verantwoordelijk zijn. De Poolse en Belgische dochtermaatschappijen zijn verder niet als “publiek” aan te merken in de zin van de Poolse en Belgische auteurswet. Daardoor kan ook het feit dat Mediq Apotheken en Mediq N.V. toestemming hebben geven voor het gebruik van de ontwerpen van SVT in de buitenlandse apotheken en specificaties en digitale bestanden hebben verstrekt niet als een schending van het auteursrecht worden aangemerkt.

Mediq Apotheken en Mediq N.V. moeten tenslotte een bedrag van ruim € 65.000,-- aan proceskosten vergoeden aan SVT.

IEF 9796

Verbod op prototypen bekendmaken

Vzr. Rechtbank Arnhem 16 mei 2011, LJN BQ6443 (Eiser tegen Lusaro B.V.)

Wellicht ten overvloede. Know how bescherming. Stukgelopen samenwerking. Geheimhouding.  Gedaagde heeft in 2004 een idee bedacht en uitgewerkt om een middenas aanhanger (caravan) te verbeteren. In de samenwerkingsovereenkomst: “Iedere Partij behoudt de intellectuele eigendomsrechten op de Kennis, Deelproducten en materialen die door haar ten behoeve van de samenwerking worden ingebracht en in het Projectplan worden omschreven en op materialen die door haar worden ontwikkeld in het kader van de samenwerking.". Eiser vordert voortzetting en vordert verbod op zijn (gedeelte van de) intellectuele eigendomsrechten, terwijl gedaagde de samenwerking heeft opgezegt. De vorderingen van eiser worden afgewezen, m.n. vanwege onderbouwing en vereiste voor nadere bewijslevering omtrent de toegepaste sandwichconstructie, waarvoor in kort geding geen plaats is.

4.18.  [eiser] heeft tot slot nog gevorderd dat [gedaagde sub 1] een einde dient te maken aan de inbreuk op de (intellectuele) eigendomsrechten van [eiser], ook in de toekomst, waaronder begrepen een verbod de prototypen bekend te maken aan, te verspreiden onder en te laten gebruiken door derden. [gedaagde sub 1] heeft te dien aanzien aangevoerd dat voor zover al sprake is van een intellectueel eigendomsrecht van [eiser] op het chassis van de boottrailer, dit chassis geen rol (meer) speelt in Lusaro II. Ten aanzien van het beweerdelijke intellectuele eigendomsrecht op het chassis van de caravan heeft [gedaagde sub 1] aangegeven dat [eiser] op de constructie geen rechten kan verkrijgen, nu een dergelijke sandwichconstructie al jarenlang door meerdere ondernemingen in de caravanbranche wordt toegepast. Nu de stelling van [eiser] dat [gedaagde sub 1] inbreuk maakt op de rechten van [eiser] gemotiveerd is betwist en [eiser] zijn stelling op dit punt in geen enkel opzicht concreet heeft onderbouwd, zal de vordering onder IV. niet worden toegewezen. Voor beantwoording van de vraag of [eiser] intellectuele eigendomsrechten heeft en of daarop door [gedaagde sub 1] inbreuk wordt gemaakt, is nadere onderbouwing en bewijslevering nodig, waarvoor in dit kort geding geen plaats is.

Lees het vonnis hier (link / pdf).

IEF 9795

De heersende bling bling

Vrz. Rechtbank Amsterdam 14 juni 2011, KG ZA 11-668 (HEMA B.V. tegen Albert Heijn B.V.)

Met dank aan Gerben Hartman en Kurt Stöpetie, Brinkhof

Auteursrecht. Slaafse nabootsing. niet tijdig betaalde griffierechten buiten beschouwing gelaten, onbillijkheid.

Geen sprake van eigen oorspronkelijk karakter en persoonlijke stempel van de maker, genoemde kenmerken hebben allen een technische functie, dan wel gebruikelijk voor pennenetuis. Onvoldoende onderscheidend en daarom geen eigen gezicht. Ontbreken van merkteken of de naam hema kan het publiek de Hema/etui niet direct herkennen als product van Hema.

4.4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voor zover de door Hema genoemde kenmerken voortvloeien uit functionele eisen of ontleend zijn aan eerdere pennen etuis is geen sprake van persoonlijk stempel van de maker. Gelet op het overzicht van balkvormige etuis dat Albert Heijn als productie 1 in het geding heeft gebracht, moet de vorm van het Hema-etui als reeds bestaand worden aangemerkt. In het overzicht is een groot aantal etuis opgenomeen met een langwerpige rechthoekige slanke vorm. Deze moet dan ook als voor een pennenetui gebruikelijk worden aangemerkt, meet een maatvoering die aansluit aan het formaat van de gemiddelde pen of potlood. (..) Dit alles maakt dat de voornaamste kenmerken van het etui, te weten de vorm, de rits, de vouw aan de zijkanten en het lipje geen oorspronkelijk karakter hebben en niet het persoonlijk stempel van de maker dragen. Dit geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voor het dubbele stiksel aan weerszijden van de rits, aangezien deze stiksels een technische functie hebben: de rits wordt met het ene stiksel op zijn plaats gehouden en de stof wordt  met het andere stiksel afgezoomd.

4.5 De uitvoering van het Hema-etui inde zilvern leatherlook et de lichtgrijze rits en het lichtgijze lipje draat evenmin een persoonlijk stempel van de maker. Door Albert Heijn is onweersproken aangevoerd dat de zilveren leatherlook-stof in de handel algemeen en vrij verkrijgbaar is, terwijl he gebruik van een ritssluiting en een lipje in bijpassende kleur gemeengoed is. De kueze van deze stof voor een pennenetui is, gelet op de heersende bling bling trend, niet als oorspronkelijk aan te merken.Uit het voorgande volgt dat het Hema-etui niet kan worden aangemerk als een werk in de zin va de Auteurswe (Aw.), zodat er geen auteursrecht op rust.

4.7 De voorzieningenrechter i van oordeel dat Hema onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar etui zich aanmerkelijk onderscheidt van andere etuis en darom een eigen gezicht op de etui-markt heeft. Mede gelet op hetgeen hiervor in 4.4 en 4.5 is overwogen en gelet op het ontbreken van een merkteken of de naam Hema op het etui, kan er voorhands niiet vanuit worden gegaan dat het publiek het Hema-etui direct zal herkenen als een product van ema. Het Hema-etui komt derhalve evenmin bescherming toe op grond van ongeoorloorde mededinging, zodat de vorderingen zullen worden afgewezen.

Lees het vonnis hier (pdf, LJN)