VVD heeft het volste vertrouwen in het Wetsvoorstel Auteurscontractenrecht
|
|
Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. De rechtbank in het Franse Valenciennes heeft onlangs bepaald dat een echtpaar zijn dochter niet de naam Nutella mag geven. Nutella werd in september vorige jaar geboren. Meteen bij de aangifte bij de burgerlijke stand ging het al mis. De dienstdoende ambtenaar vond de naam Nutella maar niets en speelde de zaak door naar de familiekamer van de lokale rechtbank.
NUTELLA: PESTERIJEN EN SPOT
Daar oordeelde de rechter dat het niet in het belang van het meisje is om een naam te dragen die gelijk is aan een wereldbekend merk chocoladepasta. Dat leidt straks alleen maar tot pesterijen en spot, aldus de rechter. En omdat de ouders niet bij de zitting aanwezig waren, koos de rechter zelf maar een nieuwe voornaam: Ella.
ROLLS ROYCE EN TOM TOM
Ook in Nederland is het oppassen geblazen met bekende merken als voornaam. Zo kreeg goeroe Emile Ratelband in 1977 geen toestemming om zijn zoon Frans Rolls Royce te noemen. En op de website www.vernoeming.nl is te lezen dat recentelijk de voornaam Tom Tom in eerste instantie afgewezen werd. Om onduidelijke reden werd de naam vervolgens alsnog geaccepteerd. Ik vrees dat de kleine Tom Tom nog vaak te horen krijgt dat hij maar even de weg moet wijzen.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad Noem je kind niet Nutella NRC 10-02-2015
“Ik wil echt niet beweren dat alle makers arme sloebers zijn, maar het wordt wel steeds moeilijker om van creatieve arbeid te leven,” zei Jan Boerstoel onlangs in een interview1. Ondanks dat dit niet geheel de bedoeling moet zijn geweest van de wetgever – het auteursrecht is immers ondenkbaar zonder de creatieve uitingen van de maker – heeft het toch meer dan tien jaar moeten duren2 totdat de maker nu daadwerkelijk die felbegeerde steun in de rug gaat krijgen van de wetgever3. Althans dat is de bedoeling. De Tweede Kamer zal zich vanmiddag namelijk buigen over het wetsvoorstel Auteurcontractenrecht (Kamerstukken II, 33 308) dat sinds medio 2012 bij diezelfde Kamer aanhangig is. De meningen over dit wetsvoorstel zijn al jaren verdeeld5. De vraag is echter wat de gevolgen zullen zijn van dit wetsvoorstel. Zal de maker erop vooruit gaan? Is de voorgestelde constructie inderdaad mededingsproof? Gaat het partijen lukken om tot een gezamenlijk gedragen advies tot de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding te komen? Leiden verplicht collectieve beheeroplossingen tot het gewenste resultaat? De praktijk zal moeten uitwijzen of dit wetsvoorstel daadwerkelijk leidt tot een sterkere positie van de maker. Wat gaat er veranderen? |
- Aktevereiste: Uitbreiding aktevereiste op exclusieve licenties (art. 2 lid 3 Aw). Lotte Anemaet 1) Jan Boerstoel, “Het wordt straks de kip met de blikken eieren”, in: W. de Jonge (red.), Makers aan het woord, Platform Makers: Amsterdam 2014, p. 37, IEF 14358. Zie ook: Wat er speelt. De positie van makers en uitvoerende kunstenaars in de digitale omgeving. SEO Economisch Onderzoek, maart 2011. |
VOI©E bericht: De rechtenorganisaties voor filmmakers en acteurs (verenigd in PAM) zijn samen met de producenten, omroepen en distributeurs (verenigd in RODAP) tot een nieuw vergoedingssysteem voor de film- en televisie exploitaties gekomen. De gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een convenant en gelden voor alle producenten, omroepen en nagenoeg alle distributeurs en exploitanten op de Nederlandse markt.
Na jaren van gesprekken en (juridisch) getouwtrek, hebben de partijen in de audiovisuele sector consensus bereikt over een vergoedingsregeling. Deze regeling voorziet in een vergoeding voor filmmakers en acteurs voor lineaire televisieuitzendingen plus gratis ‘uitzending gemist’ en video-on-demand diensten. De rechtenorganisaties verenigd in PAM (LIRA, VEVAM en NORMA) zullen deze vergoedingen incasseren en verdelen. Het nieuwe vergoedingssysteem is gebaseerd op het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht dat binnenkort in de Tweede Kamer wordt behandeld.
Voor de lineaire televisie-uitzendingen en gratis 'uitzending gemist' worden door alle Nederlandse distributeurs verenigd in RODAP de komende vijf jaar aan de rechtenorganisaties in PAM een vast bedrag per abonnee betaald. Begin december meldde RODAP dat ze voor de borging van de uitkering van deze vergoeding een fonds van 15 miljoen euro zouden oprichten, maar door overeenstemming met de PAM-partijen zal oprichting van dit fonds niet meer nodig zijn.
Voor video on demand-diensten zoals tv-programma’s en films op bestelling via verschillende platforms en schermen (televisie, tablets, smartphones, home cinema’s, etc.) is voor 2015 een lumpsum vergoeding (een vast bedrag) overeengekomen. Een expertgroep gaat komend half jaar deze markt van on demand diensten verder onderzoeken en in beeld brengen. Op basis hiervan zal de expertgroep voorstellen doen voor de vergoeding door exploitanten aan de rechtenorganisaties in PAM voor de periode vanaf 2016.
De vergoedingsregeling zal periodiek worden geëvalueerd. Over andere exploitaties, de lineaire doorgifte van buitenlandse kanalen en de perioden in het verleden, zal nader overleg gepleegd worden.
"We hebben de overtuiging dat met de gemaakte afspraken een stevige basis is gelegd voor een nieuwe periode van goede samenwerking tussen exploitanten, omroepen, producenten en filmmakers”, zegt Felix Rottenberg, sinds eind december de nieuwe voorzitter van PAM, het samenwerkingsverband voor filmmakers. "Dit is een uiterst positieve ontwikkeling en een nieuw begin binnen de Nederlandse creatieve film- en televisie industrie”, zegt Medy van der Laan, voorzitter van RODAP, de organisatie van producenten, omroepen en distributeurs.
Bijdrage (aan het IE-Diner 2015) Marlous Stal-Hilders, NLO Shieldmark. Vorig jaar vierde NLO het 125 jaar bestaan. Samen met klanten en experts werd gefilosofeerd over het thema “Beschermd innoveren heeft de toekomst?”. Een mooi thema wat eigenlijk steeds in mijn hoofd is blijven hangen. Al ongeveer tweehonderd jaar kennen we vormen van Intellectueel Eigendom in de moderne samenleving. Het beschermen van creativiteit, het belonen van innovativiteit en het onderkennen van het belang van herkomstaanduiding heeft de juiste prikkels gegeven om de samenleving te laten innoveren en te laten groeien in welvaart.
Wat ik me afvraag - en continu ook ervaar - is of de wettelijke kaders eigenlijk toereikend zijn om goed te functioneren in de veranderende samenleving.
Alleen al het feit dat meeste wettelijke kaders gebonden zijn aan territoriale grenzen werkt eigenlijk al zo ontzettend beperkend. Natuurlijk zijn er op het gebied van Intellectueel Eigendom voldoende initiatieven deze geografische grenzen te doorbreken. Denk aan het Community Trademark en het op handen zijnde Unitair Octrooi. Maar nog is de vraag of dat voldoende efficiëntie oplevert om te voldoen aan de veranderende maatschappij.
Wat zie ik dan veranderen in de maatschappij? Allereerst een veranderde houding richting Intellectuele Eigendom. Meer dan ooit is het beschermen van intangable assets een controversieel onderwerp waar het brede publiek een mening over heeft. Ik was laatst op een bijeenkomst, de Big Improvement Day, en sprak daar een man van het Kadaster. Ze waren bezig met een project waarbij samen met een bedrijf in landkaarten een nieuw product werd ontwikkeld. Toen ik vroeg of ze al over bescherming hadden nagedacht, kreeg ik de kreet om mijn oren: “Delen is het nieuwe hebben”.
Nog een voorbeeld. Ik heb wel eens gehoord dat een IE-college op de universiteit tegenwoordig met de uitleg begint waarom illegaal downloaden misschien niet zo heel erg bijdraagt aan ontwikkeling van de economie. Bij het grotere publiek vind je een grote stroming die een soort weerzin heeft tegen het beschermen van producten. En een totaal andere houding heeft ten opzichte van Intellectuele Eigendom.
Ook zie ik weerzin optreden bij sommige klanten. IE, beperkt door geografische grenzen, maakt alles nodeloos ingewikkeld en duur. Bedrijven willen snel en pragmatisch schakelen en hebben de focus op hun core business, daar passen vaak de procedures die bij het beschermen van IE van toepassing zijn en de complexiteit van deze procedures niet bij. Laat staan het handhaven van de verkregen rechten. Vaak complex, kostbaar en tijdrovend.
Naast deze ontwikkelingen zien we natuurlijk dat door het internet steeds nieuwe businessmodellen ontstaan. Die in rap tempo soms van grote invloed zijn. Natuurlijk weten we wat er met de muziekindustrie is gebeurd; door het niet snel genoeg inspringen op alle ontwikkelingen is er aan deze industrie grote schade aangericht. iTunes, illegale downloads en het gebrek aan effectieve mogelijkheden tot handhaving hebben geleid tot halvering van deze industrie. De ommekeer is gekomen toen de industrie zelf streamingdiensten en andere businessconcepten zijn gaan toepassen tegen relatieve lage kosten. Dit leidt nu tot een voorzichtige groei.
Zo vraag ik me af wat het effect zal zijn van 3D-printing. Hoe ver en snel gaat dat. We kunnen nu natuurlijk al 3D-producten bestellen. Ga naar de website HEMA3dprinten.nl en je bestelt een zelf ontworpen telefoonhoesje. Bij Shapeways kun je al uit vele producten kiezen, en daar zitten ook LEGO-poppetjes bij. Moeten we aannemen dat hier een licentie voor bestaat? Bij TNO staat inmiddels een 3D-printer die producten kan printen die uit verschillende materialen bestaat.
Wat is de toekomst? Krijgen we straks een andere werkelijkheid dat wij op internet onze printbestanden downloaden en die naar de lokale printshop op de hoek sturen en het product naar wens binnen een paar uur thuis bezorgd krijgen?Of gewoon thuis printen? Moet je voorstellen wat dat betekent. Geen productiefaciliteiten in China meer nodig. Arme Chinezen en arme transportsector. Maar wat een kansen voor ontwerpers! Wat een groot bereik voor je producten! En wat een keus voor de consument!
Als ik aan deze ontwikkeling denk komen er bij mij een hoop vragen op over hoe de rechten van de ontwikkelaars van deze print files te beschermen en uiteindelijk te handhaven. Natuurlijk kan op basis van de huidige wetgeving iets worden ondernomen. Een voorbeeld hiervan is de recente zaak die in de VS heeft gespeeld. Er werd een houder voor een telefoon aangeboden die de vorm had van de troon uit Game of Thrones. Hier is een verbod op gevolgd. Maar ook hier geldt dat bij 3D-printing in zijn volledige ontwikkeling handhaving bijna onmogelijk zal zijn, zoals we hebben gezien bij de muziekindustrie.
Betekent dat ik een einde zie voor Intellectueel Eigendomsrecht? Nee, dat absoluut niet. Je ziet dat creativiteit en het combineren van innovatie steeds meer wordt opgezocht. De behoefte aan bescherming zal naar mijn idee helemaal niet verdwijnen. De basisbeginselen blijven overeind. Om innovatie en creativiteit te stimuleren moet er een financiële prikkel blijven bestaan en daar hoort een vorm van bescherming bij. Misschien moet de balans anders komen te liggen. Gaat een monopoliepositie in de toekomst misschien te ver?
Bedrijven en wij moeten beter inspelen op de ontwikkelingen en meegaan met de nieuwe businessmodellen. Veel zal in de nabije toekomst liggen in vormen van licentie tegen een lage prijs. We zien dat als de prijs niet al te hoog is en er sprake is van andere toegevoegde waarde, denk misschien aan kwaliteit en andere zekerheden, het grote publiek toch liever het product afneemt waar de herkomst en de daaraan hangende zekerheden duidelijk zijn.
Misschien is het ingegeven door een te ver doorgevoerd opportunisme, maar ik denk dat daaruit volgt dat het beschermen van modellen en merken om die herkomstfunctie te kunnen bewerkstelligen misschien nog wel belangrijker wordt. En ik hoop dat wetgeving zal meebewegen en wij als sector ook. Ik raad u aan om naar de website van het Financieel Dagblad te gaan. Daar staat een checklist om te kijken welke sector in potentie ingehaald zou kunnen worden door een nieuwe werkelijkheid. Dit aan de hand van vragen zoals ‘heeft u te maken tijdrovend processen’, ‘verdienen wij geld aan intransparantie’, ‘blijft de klant bij ons omdat het voor hem te complex of the moeizaam is om iets anders te vinden’. Indien deze vragen met ‘ja’ worden beantwoord zitten we volgens het Financieel Dagblad in de gevarenzone. We zouden wel eens ingehaald kunnen worden door nieuwe toetreders.
Het blijft voor ons dus een uitdaging om creatief te zijn binnen de huidige juridische kaders en IE te laten werken voor onze klanten in de nieuwe omgeving. Ik wens iedereen daarbij veel succes.
Marlous Stal-Hilders
The objective of this public consultation (until 23rd of February) is to seek suggestions and ideas from all OHIM stakeholders and general public on the vision and strategic goals set by the Office for the coming years. OHIM values the opinion of its stakeholders and therefore invites them to review the Guiding Principles and Outline of the Strategic Plan 2020 and submit your feedback and any other suggestions you may have by e-mail
Contributions will be treated confidentially. See our privacy statement for information on how your personal data and contribution will be dealt with.
Bijdrage ingezonden door Gino van Roeyen, BANNING. Bij vonnis van 15 januari 2015 heeft de voorzitter van de rechtbank in Antwerpen geoordeeld dat kunstenaar Luc Tuymans zich schuldig maakt aan inbreuk ‘te kwader trouw’ op de auteursrechten van fotografe Katrijn van Giel, ‘door de reproductie van de foto van Jean-Marie Dedecker van Van Giel in zijn schilderij ‘A Belgian Politician’ [IEFbe 1158]. Tuymans mag dat niet meer doen, heeft de rechtbank bepaald, en als hij dat niet doet, dan staat daarop een dwangsom van € 500.000 en wel per overtreding van het verbod. De beslissing veroorzaakt nog al wat roering. Is de rechtbank hier ten opzichte van de kunst een grens overschreden en zo ja, welke? Of is het (geheel of gedeeltelijk) terecht dat Tuymans is veroordeeld?
Als kunst bij wet of rechterlijk vonnis verboden wordt, is dat een nederlaag voor het recht van artistieke expressie, een mensenrecht dat met zoveel woorden is erkend in onder andere de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1949) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (1950). Eén nederlaag is er strikt genomen op dit gebied al één teveel, maar het wordt een dubbele nederlaag als de kunst zich zélf doet verbieden. In de zaak Van Giel tegen Tuymans wordt dat pijnlijk duidelijk. Van Giel heeft zich tegenover Tuymans beroepen op het haar toekomende auteursrecht met betrekking tot de door haar gemaakte foto. Tuymans erkent - al dan niet terecht, maar hij wil daar kennelijk geen punt van maken en dat siert Tuymans - het oorspronkelijk karakter van de foto en ‘botst’ daarmee tegen het auteursrecht van Van Giel.Tuymans tracht het door hem vervaardigde schilderij ‘A Belgian Politician’ vrij te pleiten door te verdedigen dat het een parodie is van de foto van Van Giel. Een parodie kan onder zekere voorwaarden - door het Hof van Justitie EU recent beoordeeld in de zaak Deckmyn tegen Vandersteen (Suske & Wiske) [IEF 14169] - soelaas bieden tegen een auteursrechtelijke claim, maar voor Tuymans blijkt de parodie te ver gegrepen te zijn. Essentieel voor een parodiërend werk is dat aan humor wordt gedaan of spot wordt gedreven. Uiteraard kan men er - gelukkig - verschillend over denken wat humor en spot precies is, maar humor en spot liggen mijns inziens niet besloten in ‘A Belgian Politician’, ook al staat het Tuymans natuurlijk vrij te betogen dat zijn werk wel onder dat ‘gesternte’ staat.
Het beroep op parodie in deze zaak lijkt mij overigens meer een kwestie van ‘niet anders kunnen’ van Tuymans advocaat (een bekwame vakman) dan van Tuymans zelf. Die bekwame vakman staat op dit vlak namelijk met een redelijk lege gereedschapskist. Buiten de parodie staat het auteursrecht in de EU als een huis van beton.
‘Diamanten’ uitzonderingen om kunst per definitie buiten het auteursrecht te stellen en te houden zijn er op de keper beschouwd eigenlijk niet echt. Men kan de kunst natuurlijk buiten het auteursrecht stellen, maar dan moet de auteurswetgeving op de schopstoel en dat zie ik niet gebeuren. De auteurswetgeving is juist tot stand gekomen om het creatieve brein, de kunstenaar te beschermen.
Het citaatrecht als uitzondering bestaat slechts bij de ‘gratie Gods’ van de uitdrukkelijke bronvermelding. Dat lijkt echter ‘not done’ in de kunst. Ook van de Europese bagatelregeling moet de kunst het niet hebben, want deze wordt vooralsnog zeer beperkt uitgelegd. Als ‘zaken van niets’ al bestaan en dat zal zeker het geval zijn, komen ze echter hoogstwaarschijnlijk niet voor de rechter en van de bagatelzaken die tot nu voor de rechter zijn verschenen is niets terecht gekomen.
‘Appropriation art’, waarmee Tuymans ‘A Belgian Politician’ nog van de hakbijl van het auteursrecht van Van Giel heeft trachten te redden, zet evenmin zoden aan de dijk, omdat die kunststroming, hoezeer erkend, slechts op kunstmatige wijze - via de boeg van de ‘parodie’ - binnen de auteursrechtelijke kaders kan worden geplooid. Dat is - waag ik te stellen - ook niet wat ‘approprionisten’ voor ogen staat. Zij willen recht door zee kunnen doen waar ‘appropriation’ voor staat: het zich toe-eigenen van andermans ‘werk’ (zonder bronvermelding) in een eigen als een nieuw oorspronkelijk werk. En juist daar wringt de schoen: het is de auteursrechthebbende die wettelijk bij uitsluiting bevoegd is het eigen werk te verveelvoudigen, ook in gewijzigde vorm. Dergelijke verveelvoudigingen zijn, mits oorspronkelijk, als zelfstandige werken auteursrechtelijk beschermd. Het verveelvoudigingsrecht met betrekking tot het origineel houdt op daar waar duidelijk een nieuw oorspronkelijk werk wordt gecreëerd. Daarvan is naar huidige auteursrechtelijke maatstaven géén sprake, indien er qua uiterlijke verschijningsvorm (‘het onvolledige beeld, de positie, het camerastandpunt, de belichting, enscenering en kadrering’ - om het met woorden van de rechtbank in Antwerpen te zeggen) een duidelijke gelijkenis is tussen de betrokken werken.
De transformatie door Tuymans van de foto van Van Giel in ‘A Belgian Politician’ is echter onmiskenbaar aanwezig en niemand zal betwijfelen dat deze uniek is. Uniciteit is echter geen garantie voor succes in een auteursrechtelijke zaak, zoals de onderhavige zaak bewijst. Rechtspraak en kunst blijft wat dat betreft een doos van Pandora, tenzij het grondrecht van artistieke expressie (ten volle) in de rechtszaal wordt erkend. De beslissing in kort geding van de Rechtbank Den Haag in de zaak van Nadia Plesner tegen Louis Vuitton (die overigens niet portretrecht betrof, maar modelrecht versus artistieke vrijheid) bewijst dat zo’n erkenning niet altijd in het verschiet ligt (de artistieke vrijheid en het ingeroepen intellectueel eigendomsrecht worden tegen elkaar afgewogen)[IEF 9614]. Het zou vanuit dat perspectief (misschien) beter zijn geweest als dit kunstgeschil voor de poorten van de rechtbank had halt gehouden. Van Giel en Tuymans is dat helaas (nog) niet gelukt.
Gino van Roeyen
Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. Sportmerk Nike is in de VS aangeklaagd voor auteursrechtinbreuk. Op 22 januari 2015 diende fotograaf Jacobus Rentmeester een klacht in bij de rechtbank van Oregon. Rentmeester maakt bezwaar tegen de ‘jumpman’, het silhouet van basketbalspeler Michael Jordan dat Nike over de hele wereld gebruikt als logo voor zijn Michael Jordan-lijn van producten.
AFSPRAKEN GESCHONDEN
Rentmeester stelt dat de ‘jumpman’ afkomstig is van een foto die hij in 1984 voor Life Magazine maakte. Volgens de fotograaf betaalde Nike hem in maart 1985 een bedrag van $ 15.000,- dollar voor het gebruik van het Jordan-silhouet gedurende een periode van twee jaar in Noord Amerika. Die afspraken heeft Nike volgens Rentmeester op grote schaal geschonden. Het sportmerk heeft sinds 1987 miljarden dollars omgezet met dit logo en ik zie mijn schade dan ook graag vergoed, aldus de fotograaf.
GEEN EXACTE KOPIE
Nike heeft nog niet gereageerd op de aanklacht. Vermoedelijk zal het bedrijf aanvoeren dat hun jumpman geen exacte kopie is van het silhouet van de foto, maar een variant. Blijft de vraag waarom Nike in 1985 daar dan toch $ 15.000,- voor betaalde. Aan de andere kant kun je je ook afvragen waarom die Rentmeester zolang heeft gewacht met zijn klachten.
Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad Nike moet betalen voor Jumpman logo NRC 28-01-2015
Hieronder een selectie van de hoofdartikelen uit de vakbladen van deze maand, mede mogelijk gemaakt door Praktijkgebied IE (ook via Legal Intelligence of Rechtsorde), voor de losse tijdschriftensites dient u apart in te loggen:
![]() BIE 2015-1 | ![]() |
Berichten uit het buitenland
Germany, a legal report 2014; Trademarks, designs and unfair competition – Part II
– Ulrich Hildebrandt
Rechtspraak
octrooirecht
Nr. 1 Rechtbank Den Haag 10 september 2014, Ajinomoto/Global Bio-Chem Technology, IEF 14187, ECLI:NL:RBDHA:2014:11601 – met noot van J.H.J. den Hartog
Ongeoorloofde mededinging
Nr. 2 Hoge Raad 11 juli 2014, Eneco Holding N.V./Stichting Ronde van Nederland en International Cycling Sports Organisation B.V., ECLI:NL:HR:2014:1627 – met noot van C.J.J.C van Nispen
Rechtspraak in het kort
Octrooirecht
Nr. 3 Raad van State 15 januari 2014, Astion Dermatology/NL Octrooicentrum, IEF 13490, ECLI:NL:RVS:2014:10
Merkenrecht
Nr. 4 Hof van Justitie EU 19 juni 2014, Oberbank en Santander/Deutscher Sparkassenund Giroverband eV., IEF 13958
Nr. 5 Rechtbank Den Haag 22 oktober 2014, Brite Strike Technologies Inc./Brite Strike Technologies SA, IEF 14305
Procesrecht
Nr. 6 Gerechtshof Den Haag 25 november 2014, Binka Vastgoed B.V. h.o.d.n. Containerbox/City Box Holding B.V., IEF 14413
Bijdrage ingezonden door Mathieu Paapst, Rijksuniversiteit Groningen. Annotatie bij EU Hof van Justitie 21 oktober 2014, IEF 14315, zaak C-348/13 (Bestwater), verschijnt in: Tijdschrift voor Internetrecht 2014/6. In mei 2013 was door het Bundesgerichtshof (BGH) aan het Europese Hof van Justitie (HvJ) de volgende prejudiciële vraag gesteld:
“Vormt de opneming van een op een website van een derde voor het publiek beschikbaar gesteld werk van een derde in de eigen website onder omstandigheden als in het hoofdgeding, een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG , ook als het werk van een derde daardoor niet aan een nieuw publiek wordt meegedeeld en de mededeling niet met behulp van een specifieke technische werkwijze plaatsvindt die verschilt van die van de oorspronkelijke mededeling?”.
De achtergrond van deze prejudiciële vraag is gelegen in het feit dat het BGH op verzoek van het Oberlandesgericht München [OLG München, 16.02.2012 - 6 U 1092/11] wenst te vernemen of een embedded link naar een filmpje dat al openbaar en vrij toegankelijk op Youtube staat , en waarbij door de wijze van embedden de indruk wordt gewekt dat het werk gehost is op de website waarop de link is aangebracht, te beschouwen is als een nieuwe auteursrechtelijk relevante openbaarmakings- of verveelvoudigingshandeling, ook al blijft het publiek dat toegang heeft tot het filmpje hetzelfde. De Duitse rechter geeft richting het HvJ aan dat hij denkt dat dit niet het geval is omdat niet de plaatser van de hyperlink, maar alleen de persoon die de film online heeft gezet de macht heeft om te beslissen of het werk toegankelijk blijft:
“Das Berufungsgericht hat zwar - so der Bundesgerichtshof - mit Recht angenommen, dass die bloße Verknüpfung eines auf einer fremden Internetseite bereitgehaltenen Werkes mit der eigenen Internetseite im Wege des "Framing" grundsätzlich kein öffentliches Zugänglichmachen im Sinne des § 19a UrhG darstellt, weil allein der Inhaber der fremden Internetseite darüber entscheidet, ob das auf seiner Internetseite bereitgehaltene Werk der Öffentlichkeit zugänglich bleibt.”
In de Bestwater zaak maakt het HvJ bij de beantwoording van de prejudiciële vraag gebruik van een zogeheten beschikking. Een dergelijke beschikking wordt op grond van art. 99 Reglement voor de procesvoering van het HvJ afgegeven indien het antwoord op een aan het Hof gestelde vraag duidelijk blijkt uit de jurisprudentie, of omdat over het antwoord redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan [EUR-Lex]. Na het Svensson-arrest (C-466/12) waarin het HvJ begin 2014 over de auteursrechtelijke relevantie van hyperlinks heeft geoordeeld dat er bij een hyperlink alleen sprake is van “een mededeling aan het publiek” indien dat publiek afwijkt van het publiek dat toegang heeft tot de oorspronkelijke website waar de hyperlink naar verwijst, weten we ook dat dit het geval is indien de hyperlink als embedded link wordt gebruikt en “daarbij de indruk wordt gewekt dat het wordt getoond op de website waar de link zich bevindt, terwijl dit werk in werkelijkheid afkomstig is van een andere website”(r.o.29) . Dit gezegd hebbende is het op het eerste gezicht logisch dat het HvJ er in het geval van Bestwater vanuit gaat dat het antwoord op de prejudiciële vraag reeds duidelijk is: embedden is in dit geval niet te beschouwen als een mededeling aan een nieuw publiek.
Toch wijkt de Bestwater uitspraak op een cruciaal punt af van de Svensson uitspraak. Bij die laatste zaak ging het in tegenstelling tot Bestwater om content die door de auteursrechthebbende zelf zonder beperkingen op internet beschikbaar is gesteld. Of er in dat geval sprake is van een nieuw publiek is dan mede afhankelijk van de vraag welk publiek de auteursrechthebbende voor ogen had bij die die eerste beschikbaarstelling. In de Svensson zaak onderscheidt het Hof feitelijk twee situaties: Allereerst de situatie waarbij een werk open en vrij via het internet toegankelijk is. Met het aanleggen van een hyperlink naar het werk wijzigt het publiek dat toegang heeft tot het werk niet. In theorie gaat het immers om alle internetbezoekers die ook zonder de hyperlink het werk al konden benaderen.
Daarnaast is er de situatie waarbij een werk, als gevolg van de wil van de auteursrechthebbende, met beperkingen online is gezet. Die beperkingen hebben tot doel om het werk beschikbaar te stellen aan een beperkt publiek. Er is in dat geval sprake van een nieuw publiek indien de hyperlink gebruikt wordt om de beperkingen te omzeilen en het werk aan een groter publiek beschikbaar te stellen. In beide situaties is beantwoording van de vraag of er een mededeling wordt gedaan aan een nieuw publiek in eerste instantie afhankelijk van de feitelijke beschikbaarstelling van het werk.
Bij de Bestwater zaak speelde echter mee dat de derivatieve auteursrechthebbende (in casu Bestwater) niet zelf de content op internet beschikbaar heeft gesteld. Het was in dit geval de producent van de film, de oorspronkelijke rechthebbende, die deze op YouTube had gezet. Uit de feiten blijkt dat de verwijzende rechter niet kan vaststellen of de producent van de film ten tijde van het uploaden zelf de rechthebbende nog was, of dat hij de rechten toen al had overgedragen aan Bestwater. Laten we eens aannemen dat de producent (hierna: A) de film op Youtube zet, waarna een internetgebruiker (hierna: C) op zijn eigen website een hyperlink aanbrengt naar de film. Vervolgens draagt A zijn auteursrechten over aan Bestwater (hierna: B). Op dat moment is de wil van de (derivatieve) auteursrechthebbende , dus B (die mogelijk een beperkte beschikbaarstelling beoogt) niet relevant bij de beoordeling of er sprake is van een nieuw publiek. Die beoordeling heeft immers reeds plaatsgevonden toen C de hyperlink aanbracht naar het reeds vrij en onbelemmerd beschikbare werk. C mocht er vanuit gaan dat A, door het uploaden van de film naar Youtube, aan een publiek bestaande uit alle internetgebruikers heeft gedacht. C kan bovendien niet op de hoogte zijn van de wil van B. Op grond van de feitelijke beschikbaarstelling van het werk is er bij het enkele aanleggen van een hyperlink naar dat werk dus geen sprake van een nieuw publiek. Het HvJ zegt daarover in r.o. 18: “Denn sofern und soweit dieses Werk auf der Website, auf die der Internetlink verweist, frei zugänglich ist, ist davon auszugehen, dass die Inhaber des Urheberrechts, als sie diese Wiedergabe erlaubt haben, an alle Internetnutzer als Publikum gedacht haben”. (onderstreping door mij).
Oftewel: Wanneer en voor zover het werk op de website waar de link naar verwijst vrij toegankelijk is, mag men er (als internetgebruiker en als plaatser van een hyperlink c.q. embedded link) vanuit gaan dat de auteursrechthebbende op het werk toestemming heeft gegeven voor de feitelijke beschikbaarstelling. Het HvJ geeft dus aan dat de plaatser van de link mag uitgaan van de veronderstelling dat een werk legaal beschikbaar is gesteld, en dat er met het aanbrengen van een link naar zo’n werk geen sprake is van een nieuw publiek.
Laten we nu eens uitgaan van een alternatieve situatie: A heeft de rechten reeds overgedragen aan B en zet vervolgens het filmpje op Youtube. C brengt vervolgens een hyperlink aan naar dat filmpje. Net als in de vorige situatie heeft B niet gewild dat alle internetgebruikers toegang krijgen. C kan echter nog steeds niet weten wat de wil is van B. En nu alle internetgebruikers al toegang hebben tot dat filmpje is er feitelijk evenmin een nieuw publiek dat door middel van de hyperlink toegang krijgt. C maakt door het aanleggen van de hyperlink geen auteursrechtinbreuk.
De auteursrechthebbende staat in dit laatste geval natuurlijk niet helemaal met lege handen. Wie zonder toestemming van de auteursrechthebbende een film uploadt op YouTube maakt daarbij inbreuk op het openbaarmakingrecht en het verveelvoudigingsrecht van de auteursrechthebbende. B kan A daarvoor aanspreken. En wanneer die inbreukmaker de film dient te verwijderen vervalt daarmee ook direct de inhoud van de embedded link naar zo’n werk. Bovendien is het mijns inziens nog steeds mogelijk om via de route van de onrechtmatige daad op te treden tegen hyperlinks waarvan de plaatser weet, of moet weten dat het verwijst naar een illegaal aangeboden werk [Aldus ook Spauwen in zijn annotatie bij de Svensson-zaak, Bb 2014/32].
Dr. Mr. M.H. Paapst
Universitair docent Rijksuniversiteit Groningen