Octrooirecht  

IEF 9312

De pijlers houden het niet

Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 december 2010, HA ZA 09-4290, MBRands B.V. tegen Handelsonderneming Kubus B.V,

Octrooirecht. Gedaagde i.c. Kubus is houdster van het Nederlandse octrooi dat betrekking heeft op een ‘Trapezehaakinrichting’. Bodem na kort geding (Rechtbank ’s-Gravenhage, 15 juli 2009, IEF 8063). Bij dat vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat conclusie 1 van het octrooi nietig is wegens gebrek aan nieuwheid, zodat de inbreukvorderingen zijn afgewezen. Op 23 oktober 2009 heeft het OCNL op verzoek van MBrands een advies omtrent de toepasselijkheid van nietigheidsgronden ex artikel 76 ROW 1995 uitgebracht. Het advies luidt dat de aangevoerde nietigheidsgronden niet van toepassing zijn op het octrooi (zie:  IEF 8382).

MBrands vordert i.c. dat de rechtbank het octrooi toch zal vernietigen, maar ziet haar vordering afgewezen. “(…) bij de beoordeling van de inventiviteit dient te worden uitgegaan van de objectieve probleemstelling, zoals die volgt uit de aanvrage in het licht van de stand van de techniek, en niet zonder meer van de subjectieve probleemstelling, zoals verwoord in de aanvrage.”

De reconventionele vordering m.b.t. de gesteld misleidende mededelingen op het product van MBrands (‘Patent Pending’) worden eveneens afgewezen.

3.2. Aan haar vordering legt MBrands ten grondslag – kort gezegd – dat het octrooi nietig is wegens toegevoegde materie, niet-nieuwheid, gebrek aan uitvindingshoogte en niet-nawerkbaarheid.

(…) 4.1. De pijlers waarop MBrands haar vordering strekkende tot vernietiging van NL 484 heeft gefundeerd, houden niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Toegevoegde materie: 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. De oorspronkelijke aanvrage welke heeft geleid tot het onderhavige octrooi, is voor verlening gewijzigd om af te bakenen van nieuwe – meer nabijgelegen – stand van de techniek, te weten DE 757 (vgl. r.o. 2.6.). De gewijzigde probleembeschrijving en technische effecten hebben betrekking op een meer slijtvaste koppeling. (…)

4.6. (…)  Zij acht aannemelijk dat de vakman minst genomen zonder meer zou inzien dat door de in de oorspronkelijke aanvraag beschreven maatregelen het risico op slijtage ten opzichte van de koppeling volgens DE 757 wordt verkleind. Dit betekent dat de gewijzigde probleemstelling voor de gemiddelde vakman uit de oorspronkelijke aanvrage in het licht van DE 757 is af te leiden en deze tezamen met de beschreven nieuwe technische effecten van het octrooi toelaatbaar zijn.

Nieuwheid en inventiviteit:  4.9. (…) Omdat DE 757 een wezenlijk andere constructie betreft met een ‘skischoen-koppeling’ in plaats van een penkoppeling zoals in het octrooi, wordt in DE 757 niet een uitsparing geopenbaard die meewerkt aan de totstandkoming van de koppeling, anders gezegd zij vervult daarbij geen functie, hetgeen ter zitting door de octrooigemachtigde van MBrands ook is erkend.

4.10. De materie van conclusies 1, 2, 4, 5 en 6 is dus als nieuw aan te merken. Hetzelfde moet worden aangenomen voor de door MBrands niet bestreden conclusies 3, 7 en 8. Er aldus van uit gaande dat de materie van conclusies 1 tot en met 8 nieuw is, moet hetzelfde gelden voor conclusie 9.

(…) 4.12. De hoofdconclusie is inventief. Vooropgesteld zij dat de inventiviteitsaanval van MBrands niet op een deugdelijke – hindsight vermijdende – wijze, te weten bij voorkeur aan de hand van de problem-solution-approach, is onderbouwd. Indien deze benadering wel wordt toegepast, geldt dat het verschil tussen de uitvinding en DE 757 bestaat in het koppelingsmechanisme. Het objectieve technische probleem waarvoor de vakman gesteld is, valt dan te omschrijven als hoe de koppeling volgens DE 757 slijtvaster en zekerder kan worden gemaakt. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat de gemiddelde vakman, uitgaande van DE 757 als meest nabije stand van de techniek, tot de koppeling volgens het octrooi zou komen. De rechtbank sluit in dit opzicht aan bij het oordeel van het OCNL (…).

4.13. (…) Hoewel juist is dat de Technische Kamer van Beroep in de Agrevo-zaak heeft beslist dat indien er geen technisch effect wordt bereikt, er geen sprake kan zijn van een uitvinding, ziet het betoog van MBrands eraan voorbij dat bij de beoordeling van de inventiviteit dient te worden uitgegaan van de objectieve probleemstelling, zoals die volgt uit de aanvrage in het licht van de stand van de techniek, en niet zonder meer van de subjectieve probleemstelling, zoals verwoord in de aanvrage. Nu hiervoor is gebleken dat een objectieve probleemstelling kan worden vastgesteld, waarvoor het octrooi een oplossing verschaft, treft het aangevoerde bezwaar, zoals ook het OCNL oordeelde, geen doel. Dat van een technisch effect (zekerder en slijtvaster maken van de koppeling) wel degelijk sprake is, is in het hiervoorgaande reeds aan de orde geweest.

Nawerkbaarheid: 4.16. Dit betoog strandt. Niet is in te zien waarom de gemiddelde vakman niet in staat zou zijn de inrichting volgens conclusie 1 na te werken, ook al zou dat leiden tot een koppeling waarbij het gevaar bestaat dat de koppelingspen uit de uitsparingen zou schieten. Bovendien dient de vakman bij het nawerken zonodig beroep te doen op de algemene vakkennis. Aannemelijk is dat de vakman op basis van zijn vakkennis zeer wel in staat zal zijn de pen te borgen (…).

(…) 4.18. Gelet op het vorenstaande is het octrooi geldig te achten.

Misleidende mededelingen 4.20. De vorderingen in reconventie worden afgewezen. De stelling van Kubus dat MBrands nog steeds Clicker Bars zou leveren met daarop aangebracht de gewraakte mededeling “Patent Pend. Nr. 1035314” is door MBrands gemotiveerd betwist. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de mededeling al sinds 13 januari 2009 niet meer op de Clicker Bars wordt gebruikt.

Lees het vonnis hier.

IEF 9311

De bevoegdheden van de nationale rechter

Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 december 2010, HA ZA 09-2275, Solvay S.A.tegen Honeywell Fluorine Products Europe B.V. c.s.

Octrooirecht. Procesrecht. EP m.b.t. (kort gezegd) drijfgas voor polyuretaan schuim ter vervanging van CFK’s. Vonnis in incident na tussenvonnis (Rechtbank ’s-Gravenhage, 15 september 2010, IEF 9089), waarin de  rechtbank een comparitie gelastte, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten omtrent (de formulering van) de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen prejudiciële vragen over o.a. grensoverschrijdend inbreukverboden als voorlopige voorziening en het begrip ‘onverenigbare beslissingen.’ Na comparitie formuleert de rechtbank haar prejudiciële vragen als volgt:

Ten aanzien van artikel 6 (1) EEX-Vo: Is in een situatie, waarin twee of meer vennootschappen uit verschillende lidstaten in een procedure aanhangig voor een gerecht van een van die lidstaten, ieder afzonderlijk worden beticht van het plegen van inbreuk op hetzelfde nationale deel van een Europees octrooi zoals dat van kracht is in weer een andere lidstaat, wegens het verrichten van voorbehouden handelingen met betrekking tot hetzelfde product, sprake van de mogelijkheid van ‘onverenigbare beslissingen’ bij afzonderlijke berechting, zoals bedoeld in artikel 6 (1) EEX-Vo?

Ten aanzien van artikel 22 (4) EEX-Vo: 1. Is artikel 22 (4) EEX-Vo van toepassing in een procedure tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening gebaseerd op een buitenlands octrooi (zoals een voorlopig grensoverschrijdend inbreukverbod), indien gedaagde bij wege van verweer aanvoert dat het ingeroepen octrooi nietig is, in aanmerking genomen dat de rechter in dat geval geen definitieve beslissing neemt over de geldigheid van het ingeroepen octrooi, maar een inschatting maakt hoe de ingevolge artikel 22 (4) EEX-Vo bevoegde rechter daarover zou oordelen en de gevorderde voorlopige voorziening in de vorm van een inbreukverbod zal worden afgewezen indien naar het oordeel van de rechter een redelijke, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het ingeroepen octrooi door de bevoegde rechter vernietigd zou worden?

2. Worden voor de toepasselijkheid van artikel 22 (4) EEX-Vo in een procedure als in voorgaande vraag bedoeld, vormvereisten gesteld aan het nietigheidsverweer in die zin dat artikel 22 (4) EEX-Vo alleen van toepassing is indien reeds een nietigheidsvordering bij de ingevolge artikel 22 (4) EEX-Vo bevoegde rechter aanhangig is of binnen een – door de rechter te stellen termijn – wordt gemaakt, althans dat terzake een dagvaarding aan de octrooihouder is of wordt uitgebracht, of volstaat het enkele opwerpen van een nietigheidsverweer en, zo ja, worden dan eisen gesteld aan de inhoud van het gevoerde verweer, in die zin dat het voldoende moet zijn onderbouwd en/of dat het voeren van het verweer niet moet worden aangemerkt als misbruik van procesrecht?

3. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, behoudt de rechter, nadat in een procedure als in de eerste vraag bedoeld een nietigheidsverweer is aangevoerd, bevoegdheid ten aanzien van de inbreukvordering met als gevolg dat (indien de eisende partij dat wenst) de inbreukprocedure moet worden aangehouden totdat de ingevolge artikel 22 (4) EEX-Vo bevoegde rechter over de geldigheid van het ingeroepen nationale deel van het octrooi heeft beslist, dan wel dat de vordering moet worden afgewezen omdat over een voor de beslissing essentieel verweer niet mag worden geoordeeld of verliest de rechter nadat een nietigheidsverweer is aangevoerd ook zijn bevoegdheid ten aanzien van de inbreukvordering?

4. Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, kan de nationale rechter zijn bevoegdheid om te oordelen over een vordering tot verkrijging van een voorlopige voorziening gebaseerd op een buitenlands octrooi (zoals een grensoverschrijdend inbreukverbod) en waartegen bij wege van verweer wordt aangevoerd dat het ingeroepen octrooi nietig is, dan wel (in het geval geoordeeld zou worden dat toepasselijkheid van artikel 22 (4) EEX-Vo de bevoegdheid van de rechtbank om over de inbreukvraag te oordelen onverlet laat) zijn bevoegdheid om te oordelen over een verweer inhoudende dat het ingeroepen buitenlandse octrooi nietig is, ontlenen aan artikel 31 EEX-Vo?

5. Indien vraag 4 bevestigend wordt beantwoord, welke feiten of omstandigheden zijn dan nodig om de in r.o. 40 van het Van Uden / Deco-Line arrest bedoelde reële band tussen het voorwerp van de gevraagde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter, te kunnen aannemen?

Lees het vonnis hier.

IEF 9310

De structuur van nebivolol heeft geopenbaard

Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 december 2010, HA ZA 09-2871, Janssen Pharmaceutica N.V. tegen Pharmachemie B.V. c.s.

Octrooirecht. Geëxpireerd EP Janssen m.b.t. middelen voor het verlagen van de bloeddruk en (zeer recentelijk geëxpireerd) ABC. Gestelde inbreuk door “een geneesmiddel met de generieke naam nebivolol” van Pharmachemie. De inbreuk als zodanig niet betwist, Pharmachemie voert een drieledig nietigheidsverweer. Aanhouding opdat Pharmachemie zich zal uitlaten over de vraag of zij bewijs wil leveren (en op welk wijze zij dat wil doen) dat Woestenborghs bij zijn presentatie op het Guildford Forum de structuur van nebivolol heeft geopenbaard, inclusief de stereochemie daarvan.

2.10. Dit octrooigeschil, is – met Actavis als eisende partij - ook aan de orde geweest in Engeland. Het High Court (Floyd J) heeft bij beslissing van 30 juni 2008 Janssen hoofdzakelijk in het ongelijk gesteld, kort gezegd op de grond dat er sprake was van een nieuwheidsschadelijke openbaarmaking van de conclusies 1, 4, 6 en 7. Het octrooi is eveneens deels nietig verklaard in Duitsland en in Hongarije.

6.1. In deze zaak wordt de inbreuk als zodanig niet betwist. Pharmachemie voert een nietigheidsverweer gebaseerd op navolgende drie argumenten.

A. De verbinding met nr 84 zoals geopenbaard in US 4 654 362 (verder: US 362) omvat zowel l- als d- nebivolol in een farmaceutische samenstelling zoals geclaimd in de huidige conclusies 4, 6 en 7. Dit leidt tot gebrek aan nieuwheid van die conclusies zoals verleend. Indien gelezen volgens het hulpverzoek zijn zij niet inventief.

B. De chemische structuur en stereochemische eigenschappen van nebivolol zijn bovendien openbaar gemaakt op het Guildford Forum 1997 in een presentatie met de titel: ‘HPLC-fluorescence method for the determination of the new β-adrenoreceptor blocking agent nebivolol in human plasma’. Ook dit voert tot niet nieuwheid.

C. Het in EP 429 geclaimde potentierende effect treedt niet op in het racemisch mengsel nebivolol. Dit dient te leiden tot de conclusie dat conclusies 4, 6 en 7 nietig zijn bij gebrek aan inventiviteit, subsidiair nawerkbaarheid.

6.2. Hierna zal de rechtbank beslissen, kort gezegd, dat de nietigheidsargumenten onder A niet slagen indien wordt uitgegaan van het hulpverzoek. Wat betreft de grondslag B zal de rechtbank oordelen dat Pharmachemie voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het Guildford Forum de stereochemische eigenschappen van nebivolol zijn geopenbaard. Pharmachemie zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om, zoals zij heeft aangeboden, bewijs daarvan te leveren. De beoordeling van de grondslag sub C wordt eerst relevant indien Pharmachemie afziet van bewijslevering of daarin niet slaagt. De gronden voor de in dit (tussen)vonnis te nemen beslissingen worden hieronder toegelicht.

6.70. Overeenkomstig haar bewijsaanbod zal Pharmachemie evenwel in de gelegenheid worden gesteld alsnog het bewijs te leveren dat Woestenborghs bij zijn presentatie op het Guildford Forum de structuur van nebivolol heeft geopenbaard inclusief de stereochemie daarvan.

Lees het vonnis hier.

IEF 9309

Verstektussenvonnissen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 27 oktober 2010, HA ZA 08-3150, Vetus N.V tegen Inno Nautic Holding B.V.

Met dank aan Ruby Nefkens, Van der Steenhoven advocaten.

Octrooirecht. Verstekzaak. Aanhouding na eiswijziging met betrekking tot de proceskostenveroordeling. “De eiswijziging met betrekking tot de proceskostenveroordeling dient, nu die ziet op een verhoging van de aanvankelijk gevorderde kosten, beschouwd te worden als vermeerdering van eis, die met betrekking tot de wijziging van de grondslag van eis als een eisverandering, en zijn in het onderhavige geval, waar de gedaagde niet in het geding is verschenen, uitgesloten, tenzij de verandering of vermeerdering op de voorgeschreven wijze, met inachtneming van artikel 130 lid 3 Rv, aan gedaagde kenbaar is gemaakt. Nu daarvan niet is gebleken, zal de zaak andermaal naar de rol worden verwezen zodat Vetus zich kan uitlaten of zij de verandering en vermeerdering van eis alsnog aan Inno Nautic wenst te doen betekenen en, zo dit het geval is, het terzake uitgebrachte exploot in het geding te brengen.”

Lees het vonnis hier.

Rechtbank ’s-Gravenhage, vonnis van 18 augustus 2010, HA ZA 08-3150 Vetus N.V tegen Inno Nautic Holding B.V.

Met dank aan Ruby Nefkens, Van der Steenhoven advocaten.

Octrooirecht. Verstekvonnis. Aanhouding. “Aanvankelijk was ook de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Entre Deux B.V. als medegedaagde gedagvaard in deze procedure. Tussen Vetus en Entre Deux is evenwel een regeling in der minne bereikt, waarna de zaak tussen deze partijen desverzocht is doorgehaald. Thans zijn derhalve uitsluitend nog de vorderingen jegens Inno Nautic aan de orde.

Gelet op de aard van het door Vetus gevorderde – vernietiging van het octrooi NL 1013030 dat op naam van zowel Inno Nautic als Entre Deux is gesteld – ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de vraag of deze vordering, gegeven het feit dat na doorhaling van de procedure tussen Vetus en Entre Deux niet langer alle rechthebbenden op het octrooi in kwestie in de onderhavige procedure zijn betrokken, wel toewijsbaar is. Vetus zal in de gelegenheid worden gesteld zich daaromtrent bij akte uit te laten. Hiertoe zal de zaak worden verwezen naar de rolzitting van woensdag 15 september 2010.” 

Lees het vonnis hier.

IEF 9302

Een species veralgemeniseren tot een genus

EP DSSGerechtshof ’s-Gravenhage, 12 maart 2008, zaaknr. 200.013.700/01, De Europese Centrale Bank (ECB) tegen Document Security Systems, Inc. (DSS). (Met dank aan Armand Killan, Bird & Bird).

Octrooirecht. Pan-Europese octrooizaak. Octrooi-inbreuk door Euro-bankbiljetten? Het hof komt tot de slotsom dat conclusie 1 van het octrooi niet wordt gedekt door de inhoud van de ingediende octrooiaanvraag, vernietigt het vonnis waarvan beroep en vernietigt het Europese octrooi van DSS op grond van art. 75 lid 1 sub c ROW 1995 wegens toegevoegde materie. (zie eerder Rechtbank ’s-Gravenhage, 12 maart 2008 IEF 5801 en voor berichtgeving overige landen vanaf IEF 9178).

9.4 Zelfs indien ervan zou worden uitgegaan dat het kopiëren in conclusie 13 een soort raster openbaart dan nog stelt ECB zich op het standpunt dat er sprake is van toegevoegde materie in conclusie 1 van het verleende octrooi. Om tot conclusie 1 te komen dient volgens ECB het kopiëren uit conclusie l3 te worden gegeneraliseerd tot alle werkwijzen om een raster te vervaardigen. ECB wijst op jurisprudentie van het EOB (T 3/03) waarin is beslist dat het niet is toegestaan om een species te veralgemeniseren tot een genus (MvG, 61)

(...) 9.6 Het hof heeft reeds overwogen dat de aanvraag bij de werkwijze voor het vervaardigen van een document omvattende rasterlijnen welke bij scannen moiré veroorzaken het voortbrengen van een rasterpatroon en het leggen van het rasterpatroon over de originele afbeelding niet openbaart, maar wel dat de afsteekafstand en wijdte van de aftastlijnen van de kopieerinrichtingen moet worden bepaald en dat de steekafstand tussen de beeldlijnen tussen bepaalde grenzen moet liggen zodat bij kopiëren moiré interferentie ontstaat. Om van deze werkwijze uit de octrooiaanvraag te komen tot de werkwijze volgens conclusie 1 van het octrooi dient aan de werkwijze de werkwijzestappen bestaande uit maatregelen D, F en G te worden toegevoegd.

9.7 Het combineren van mamgelen uit verschillende werkwijzen uit WO '046 - waarvan het hof in het midden kan lam of dat in het onderhavige geval toelaatbaar zou zijn - is onvoldoende om tot conclusie 1 van het verleende octrooi te komen. Het kopiëren uit conclusie 13 moet eerst worden gegeneraliseerd tot maatregel F. Maatregel F is breder dan conclusie 13. Naast kopiëren omvat maatregel F – zoals DSS heeft betoogd (zie onder 8.6 en voorts pleitnota DSS, 108) - ook het halftoon rasteren van een afbeelding. De gemiddelde vakman zal dit echter in het kopiëren volgens conclusie 13 op een kopieerapparaat niet direct en ondubbelzinnig meelezen. Ook het halftoon raster dat bij overeenkomstig werkwijzestap D hiervoor moet vervaardigen, zal de gemiddelde vakman eveneens niet direct en ondubbelzinnig meelezen in het kopiëren op een kopieerapparaat volgens conclusie 13. Om door middel van het combineren van verschillende werkwijzestappen uit WO '046 tot conclusie 1 van het octrooi te komen, dienen derhalve werkwijzestappen uit conclusie 13 eerst te worden gegeneraliseerd. Het hof is derhalve van oordeel dat in conclusie 1 van het octrooi sprake is van toegevoegde materie.

10. Het hof komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat conclusie 1 van het octrooi EP niet wordt gedekt door de inhoud van de ingediende octrooiaanvraag WO '046. Grief 3 treft deels doel en grief 5 slaagt geheel. Op grond van art. 75 lid I sub c ROW 1995 zal derhalve conclusie 1 worden vernietigd.

11. De volgconclusies 2 t/m 4 van het octrooi zijn alle van conclusie 1. Nu conclusie 1 nietig is wegens toegevoegde materie. zijn de volgconclusies - welke voortbouwen op conclusie 1 - op dezelfde grond nietig.

Lees het arrest hier.

IEF 9299

The so-called "broccoli" and "tomato" cases

EOB, Enlarged Board of Appeal, 9 December 2010, zaaknr. G 0001/08, State of Israel - Ministry of Agriculture tegen Unilever N.V.

Octrooirecht. No European patents for essentially biological breeding processes. The EPO's Enlarged Board of Appeal has now rendered its decisions in the so-called "broccoli" (G 2/07) and "tomato" (G 1/08) cases, bearing on the correct interpretation of  the term "essentially biological processes for the production of plants (or animals)" used in the European Patent Convention (EPC) to exclude such processes  from patentability.

In its decision the Board concludes that a process for the production of plants involving sexually crossing whole plant genomes, and the subsequent selection of plants is not patentable. The mere inclusion of a technical step which serves to enable or assist the performance of the steps of sexually crossing the whole genomes of plants or of subsequently selecting plants does not override this exclusion from patentability. While technical devices or means, such as genetic markers, may themselves be patentable inventions, their use does not make an essentially biological process patentable. The Board held finally that processes for producing plants by inserting or modifying a  trait in the genome by using genetic engineering do not rely on sexual crossing of whole genomes and may therefore be patentable. However, in such a case sexual crossing and selection steps should not be in the claims, since adding further technical processing steps before or after the steps of sexual crossing and selection does not render such processes patentable either.

To reach their decision, the Board considered the arguments put forward by the respective patent owners and opponents in the cases underlying the referral decisions (T 83/05 - Broccoli and T 1242/06 - Tomatoes), the comments submitted by the President of the EPO and the vast number of submissions by the public, the so-called "amicus curiae" letters, which it had solicited in the course of procedure.

In its 70 pages long decision the Enlarged Board of the EPO also gave a very comprehensive overview of the historical development of the relevant legislation and case law referring to the question of the patentability of essentially biological processes in Europe, including the development of the so-called Biotech Directive (98/44/EC) of the European Parliament and Council.

While the present decisions have the objective of clarifying the legal meaning of the concept of "essentially biological processes" under the EPC, a first concrete application will be provided by the Technical Boards of Appeal, which had referred the questions to the Enlarged Board of Appeal and are now called to decide upon the individual cases in the light of the guidance provided by the Enlarged Board of Appeal.

Lees de beslissing hier. (Met dank aan SJ en PvdK voor hun opmerkzaamheid)

IEF 9292

De kern van de ananas

WMF AnanassnijderRechtbank ’s-Gravenhage, 15 december 2010, HA ZA 09-2869, Vacu ProductsB.V. tegen WMF Würtembergische Metallwarenfabrik AG

Octrooirecht. EP eiser Vacu m.b.t. een ananassnijder. Gestelde inbreuk door ananassnijder van Duitse gedaagde. Vorderingen afgewezen. Niet is betwist dat de ananassnijders in Nederland worden verhandeld,  maar “het gaat er slechts om of WMF zélf ananassnijders in Nederland verhandelt, welke vraag hiervoor, gezien het daarover gevoerde debat, ontkennend moet worden beantwoord.”

2.8. Partijen hebben in Duitsland geprocedeerd over (onder meer) de vraag of sprake is van inbreuk op het octrooi door de verhandeling in Duitsland door WMF van de onder 2.7. weergegeven ananassnijder. In een uitspraak van het Landgericht Mannheim van 16 maart 2010 oordeelde de Duitse rechter dat WMF geen inbreuk maakt op EP 930 (…).
 
4.6. (…) Vacu Products heeft niet aangetoond dat via de Duitse website ook in Nederland ananassnijders worden aangeboden en/of geleverd. Met WMF is de rechtbank van oordeel dat deze site blijkens haar inrichting onvoldoende is gericht op Nederland. De Nederlandse website wordt niet door WMF gehouden, maar door een Nederlandse dochteronderneming van WMF, WMF Nederland B.V., die niet in deze procedure is betrokken, en waarvoor WMF niet aansprakelijk kan worden gehouden. Vacu Products heeft daarnaast niet aangetoond dat WMF in Nederland voorbehouden handelingen verricht met betrekking tot de hier verhandelde ananassnijders. Integendeel, ten pleidooie heeft Vacu Products zelf de stelling betrokken dat WMF Nederland B.V. de ananassnijders in Nederland in het verkeer brengt. Dat zij de ananassnijders van WMF betrekt, doet daar niet aan af.

Vacu Products heeft voorts, gelet ook op de gemotiveerde betwisting van een ander door WMF, onvoldoende steekhoudend toegelicht op welke wijze WMF invloed zou uitoefenen of in octrooirechtelijke zin anderszins relevant betrokken zou zijn bij de activiteiten van WMF Nederland B.V., of waarom WMF aansprakelijk zou zijn voor handelingen verricht door deze vennootschap. WMF Nederland B.V. is weliswaar – zo stelt Vacu Products onweersproken – een 100 % deelneming van WMF, maar is als een zelfstandige rechtspersoon niettemin in beginsel aansprakelijk voor haar eigen handelingen. Vacu Products heeft geen omstandigheden gesteld die zulks in dit geval anders zouden maken.

4.7. In het licht van het bovenstaande moet, nu Vacu Products ter zake onvoldoende heeft gesteld, het bewijsaanbod van Vacu Products met betrekking tot het aanbieden van de ananassnijders door WMF in Nederland worden gepasseerd. Voor zover het bewijsaanbod ziet op de verhandeling van WMF ananassnijders in Nederland, wordt daar als niet relevant aan voorbijgegaan nu WMF niet heeft betwist dat WMF ananassnijders in Nederland worden verhandeld. Het gaat er slechts om of WMF zélf ananassnijders in Nederland verhandelt, welke vraag hiervoor, gezien het daarover gevoerde debat, ontkennend moet worden beantwoord.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat de octrooirechtelijke grondslag niet tot toewijzing van de vordering van Vacu Products kan leiden.

Lees het vonnis hier.

IEF 9291

Een reële kans was aanwezig

Decision BOARechtbank ’s-Gravenhage, 15 december 2010, HA ZA 09-103, Koninklijke DSM N.V. c.s. tegen X., Arnold & Siedsma B.V. & Translatech B.V. c.s.

Octrooirecht. Hoofdelijke aansprakelijkheid gedaagde X en maatschap A&S voor definitieve herroeping van Europees octrooi van DSM na afwijzing beroep oppositieprocedure. Geen beroep op aansprakelijkheidsbeperking in de algemene voorwaarden. In citaten:

2.12. DSM c.s. heeft A&S c.s. bij brief van 10 juni 2005 aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van de definitieve herroeping van het octrooi geleden en nog te lijden schade. A&S c.s. heeft geen aansprakelijkheid erkend.

3.2. Aan haar vorderingen legt DSM c.s. ten grondslag dat X namens de maatschap een overeenkomst is aangegaan met DSM en dat de door X gemaakte fouten bij het instellen van het beroep tegen de oppositiebeslissing een toerekenbare tekortkoming van de maatschap opleveren in de nakoming van die overeenkomst. (…)

4.2. Het verweer van A&S c.s. dat DSM c.s. haar niet binnen bekwame tijd na ontdekking van de gestelde tekortkoming aansprakelijk heeft gesteld, wordt verworpen. (…)

4.3. A&S c.s. heeft zich voorts verweerd met de stelling dat het niet voldoen van de ‘Notice of Appeal’ aan de daaraan te stellen eisen, moet worden gekenmerkt als een gering verzuim en niet als een beroepsfout. Dit verweer slaagt niet. (…)

4.4. Voor de beantwoording van de vraag of DSM c.s. schade heeft geleden als gevolg van de hiervoor geconstateerde beroepsfout van X moet worden beoordeeld hoe de Technische Kamer van Beroep bij een wél ontvankelijk beroep zou hebben geoordeeld, althans moet de omvang van de schade worden geschat aan de hand van de goede en kwade kansen die DSM c.s. in beroep zou hebben gehad als dit op de juiste wijze zou zijn ingesteld (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257).

(…) 4.17. Op grond van het hiervoor overwogene gaat de rechtbank ervan uit dat er een reële kans aanwezig was dat de Technische Kamer van Beroep geoordeeld zou hebben dat hulpverzoek 5 als nieuw en inventief kon worden aangemerkt en het octrooi in zoverre in stand zou hebben gelaten en de beslissing van de Oppositie Afdeling zou hebben vernietigd. Nu het aldus waarschijnlijk is dat het octrooi in beperkte vorm in stand zou zijn gebleven, is tenminste aannemelijk dat zijdens DSM c.s. enige schade is geleden, zodat verwijzing naar de schadestaat zal worden toegelaten.

4.18. Het beroep op de gestelde aansprakelijkheidsbeperking in de algemene voorwaarden van de maatschap, wordt verworpen. Daartoe geldt dat DSM c.s. heeft betwist dat zij bij de totstandkoming van de opdracht op die voorwaarden, althans op de mogelijkheid tot kennisneming daarvan, zou zijn gewezen, zodat het zijdens A&S c.s. gestelde onvoldoende is om de conclusie te dragen dat deze aansprakelijkheidsbeperking is overeengekomen. De enkele verwijzing naar de algemene voorwaarden op een brief van de maatschap van na de datum van totstandkoming van de overeenkomst is daartoe niet voldoende.

(…) 4.22. Het vorenstaande betekent dat gelet op artikel 6:102 BW A&S en X hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de schade. Daarnaast is Translatech hoofdelijk aansprakelijk voor de helft van de schade. Meer concreet betekent dit dat A&S en X ieder kunnen worden aangesproken voor het geheel van de schade, met dien verstande dat zij bevrijd zullen zijn voor dat deel van de schade dat door de ander of Translatech zal zijn voldaan. Translatech kan worden aangesproken voor de helft van de schade, met dien verstande dat zij zal zijn bevrijd voor zover A&S en/of X meer dan de helft van de schade zal hebben vergoed.

Lees het vonnis hier.

IEF 9290

Wegens een gebrek aan uitvindingshoogte

EP 961Rechtbank ’s-Gravenhage, 15 december 2010, HA ZA 05-3008, Teckru Projects B.V. tegen Machinefabriek P.M. Duyvis B.V.

Octrooirecht. EP m.b.t. een pers voor het scheiden van cacaomassa in cacaokoek en cacaoboter. Eindvonnis na twee tussenvonnissen o.a. m.b.t. de beperking van de conclusies en de daarop niet meer toepasselijke Spiro/Flamco-doctrine (zie vanaf Rechtbank ’s-Gravenhage, 31 december 2008, IEF 7454). De rechtbank vernietigt i.c. gehele Nederlandse deel van het octrooi: de conclusies van de hulpverzoeken kunnen het octrooi niet redden wegens een gebrek aan uitvindingshoogte. De vordering tot schadevergoeding wegens ‘handhaving van nietige octrooien’ wordt afgewezen: een enkele handhavingshandeling met betrekking tot een octrooi, dat later nietig wordt bevonden, leidt niet zonder meer tot aansprakelijkheid van de octrooihouder.

3.3. Partijen zijn evenwel nog in de gelegenheid gesteld zich bij akte nader uit te laten over de gevolgen die de wijziging van het EOV per 13 december 2007 voor deze zaak heeft, meer in het bijzonder is Duyvis in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij EP 961 op andere wijze wil beperken dan zij (in het licht van de toenmalige Spiro/Flamco-doctrine) al had voorgesteld, en, zo ja, daartoe een concreet voorstel te doen.

3.4. Duyvis heeft in dit verband de hiervoor in r.o. 2.1. – 2.4. weergegeven vier hulpverzoeken geformuleerd. (…)

(…) 3.10. Uit het vorenstaande volgt dat de materie van conclusies 1 t/m 4 van de hulpverzoeken 1 en 2 het octrooi niet kunnen redden wegens een gebrek aan uitvindingshoogte. Dat geldt ook voor volgconclusie 5 van het tweede hulpverzoek, nu die van de deze conclusies afhankelijk is en daarvan het lot deelt, terwijl het bijkomende kenmerk ‘dat het aantal persorganen wordt vergroot’ – zoals gezegd (vgl. r.o. 4.9. van het tussenvonnis van 25 oktober 2006) – evenzeer inventiviteit ontbeert.

3.11. Nu aldus is vast komen te staan dat het octrooi geen stand houdt, wordt ten slotte toegekomen aan de beoordeling van de ook door Teckru gevorderde schadevergoeding wegens ‘handhaving van nietige octrooien’ (vgl. r.o. 4.22. van het tussenvonnis van 25 oktober 2006). Deze vordering wordt afgewezen. Daartoe geldt dat een enkele handhavingshandeling met betrekking tot een octrooi, dat – zoals hier – later nietig wordt bevonden, niet zonder meer leidt tot aansprakelijkheid van de octrooihouder. Of van aansprakelijkheid van de octrooihouder sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Denkbaar is dat de octrooihouder die weliswaar niet weet maar ernstig redenen heeft om te vermoeden dat zijn octrooi niet geldig is maar zijn octrooi niettemin handhaaft, verwijtbaar onrechtmatig handelt jegens de vermeende inbreukmaker (vgl. HR 29 september 2006, LJN AU6098 en Hof ’s-Gravenhage 24 november 2009, IEF 8384). Dergelijke omstandigheden zijn echter gesteld noch gebleken.

Lees het vonnis hier.

IEF 9274

Bepakt met zijn algemene vakkennis

Foresee Inspector ZiuzVzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 3 december 2010, KG ZA 10-1216, Global Factories B.V. tegen Ziuz B.V. c.s.

Octrooirecht. Kort geding. EP Global Factories  “stelt in tamelijk ruime bewoordingen een werkwijze en een inrichting onder bescherming voor het inspecteren (ook wel ‘schouwen’ genaamd) van zakjes medicijnen.” Global stelt dat  Ziuz c.s. met de verhandeling van de ‘Foresee inspector’ (afbeelding) in Nederland inbreuk maakt op haar octrooi, maar ziet de vorderingen afegwezen, nu er een ‘serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat de bodemrechter (ten minste) de conclusies 15 en 18 van het Nederlandse deel van EP 630 zal vernietigen wegen gebrek aan inventiviteit.

4.20. Gelet op het vorenstaande onderscheidt conclusie 15 van EP 630 zich van US 351 in feite aldus slechts door de maatregel dat op elke verpakking patiëntgegevens zijn opgenomen (deelkenmerk 2). (…) Het objectieve technische probleem waarvoor de uitvinding een oplossing biedt is dan als volgt te omschrijven: hoe kan op een eenvoudige en efficiënte wijze worden bereikt dat ook achteraf nog is vast te stellen voor welke patiënt de in een verpakking opgenomen medicijnen bestemd waren.

4.21. Ziuz c.s. heeft een verklaring van drs. C.C. de Maar, apotheker, in het geding gebracht. De Maar heeft zich als apotheker jarenlang, ook voor de prioriteitsdatum, beziggehouden met het samenstellen en leveren van patiëntspecifieke verpakkingsstrengen zoals in EP 630 bedoeld. De Maar heeft verklaard dat het voorafgaand aan de prioriteitsdatum gebruikelijk was om patiëntgegevens, zoals de naam van de patiënt, de dosering, moment van inname etc., aan te brengen op elke verpakking waarin voor een patiënt per innamemoment medicijnen werden verpakt, zoals bijvoorbeeld de in de praktijk gebruikte Baxter-verpakkings/ dispenseermachine ook werkte. Dit was (en is) volgens De Maar standaardpraktijk, niet in de laatste plaats omdat het wettelijk verplicht was (en nog steeds is) om op de verpakking van een receptgeneesmiddel patiëntgegevens op te nemen. Dit laatste is zijdens Global Factories niet weersproken. Global Factories heeft ter zitting overigens uitdrukkelijk de stelling ingenomen dat zij ook niet betwist dat het op de prioriteitsdatum gebruikelijk was om patiëntgegevens op zakjes af te drukken (vgl. paragrafen 8, 9 en 19 pleitnota mr. Pors). Een en ander behoorde naar voorlopig oordeel dan ook tot de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman.

4.22. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de gemiddelde vakman, uitgaande van US 351, geconfronteerd met het hiervoor geformuleerde probleem en bepakt met zijn algemene vakkennis als hiervoor in r.o. 4.21. genoemd, zonder meer zou (‘would’) komen tot de in EP 630 neergelegde kenmerkende maatregel om elke verpakking te voorzien van patiëntgegevens. Conclusie 15 wordt naar voorlopig oordeel dan ook niet inventief geoordeeld.

4.24. (…) Niet valt dan in te zien waarom de gemiddelde vakman niet – om met de woorden van de Examing Division te spreken – ‘straightforwardly’ zou komen tot het (definitief) opslaan voor archiverings- (en dus: bewijs)doeleinden van een afbeelding van de inhoud van een zakje medicijnen, nu daarop – zoals hiervoor aan de orde kwam – op de prioriteitsdatum standaard patiëntgegevens werden aangebracht, welke gegevens dan eveneens zouden worden opgeslagen.

4.25. In het licht van de gemotiveerde stellingen van Ziuz c.s. terzake, had van Global Factories verwacht mogen worden dat zij de eventuele inventiviteit van conclusie 18 afzonderlijk had onderbouwd. Door dit niet te doen, moet het ervoor worden gehouden dat de van conclusie 15 afhankelijke conclusie 18 van de eerstgenoemde conclusie het lot deelt.

4.26. Het vorenstaande leidt ertoe dat geoordeeld moet worden dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat de bodemrechter (ten minste) de conclusies 15 en 18 van het Nederlandse deel van EP 630 zal vernietigen. Onder die omstandigheden zal de gevraagde voorziening worden geweigerd. Global Factories zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, door partijen begroot op € 70.000,00.

Lees het vonnis hier.