Auteursrecht  

IEF 10935

Internet extremisme: even afstand nemen

E. Angad-Gaur, internet extremisme, artikel verschijnt deze week in de Muziekwereld, blad van de Ntb.

Een inzending van Erwin Angad-Gaur, secretaris/directeur van de Ntb, de vakbond voor musici, componisten en acteurs.

Na de uitvinding van de boekdrukkunst, de telefonie, radio en televisie, heeft het internet in relatief korte tijd de wereld verder verkleind: the global village is opnieuw een stap dichterbij gekomen. Dat vraagt onder meer om aanpassingen van wet- en regelgeving, al was het maar omdat landsgrenzen op het internet nog maar nauwelijks ter zake doen. Het internet is vooral daarom onderwerp van felle politieke en maatschappelijke discussies.

Wat daarbij telkens opvalt is de polarisatie van dat debat: de wereld lijkt, als je kranten leest, of politieke partijprogramma’s doorleest te verdelen in internetenthousiasten en internetcriticasters. Een middenweg lijkt bijna niet mogelijk.

Om even afstand te nemen van de huidige felle discussies over de draconische Amerikaanse anti-piraterij wetten SOPA en PIPA, over het geheimzinnige ACTA-verdrag en het al dan niet afsluiten van The Pirate Bay, een voorbeeld van minder dan een jaar geleden: de discussie over Wikileaks.

Wikileaks
Diverse overheden, de Verenigde Staten voorop, doen hun uiterste best Wikileaks het werken onmogelijk te maken en zouden de website het liefst verbieden, de verantwoordelijken voor de rechter slepen en dwingen al hun bronnen aan justitie te melden. Dat dit ingaat tegen in vele jaren, via vele rechtszaken en politieke discussies opgebouwde regels over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de pers, lijkt geen argument.

De Wikileaks-enthousiasten daarentegen lijken op een zelfde wijze weinig tolerantie te hebben voor soms terechte kritiek op de gedragingen van Assange en de zijnen. Dat Wikileaks in eerste aanleg weigerde namen van Afghaanse informanten te anonimiseren en daarmee levens in gevaar bracht, mocht hen van internetactivisten niet worden verweten.

Dat de persvrijheid ook eisen van zorgvuldigheid kent en elke vrijheid wordt begrensd door verantwoordelijkheden, lijkt wat hen betreft maar beperkt ter zake te doen.

Vrijheidsstrijders tegenover handhavers
Op exact dezelfde wijze verloopt de discussie over het auteursrecht.

‘Vrijheidstrijders’ menen dat alle informatie vrij toegankelijk dient te zijn. Het auteursrecht is daarbij een belemmering, die zo spoedig mogelijk moet worden weggewerkt. Privacy dient absoluut te zijn en zelfs betaling voor informatie is een onredelijke belemmering voor de toegankelijkheid van die informatie.

Aan de andere kant staan de handhavers, vaak vooral platen- en filmmaatschappijen, die het internet via vergaande verboden en digitale technieken onder controle willen brengen. Een verlangen dat naadloos aansluit bij de behoefte van de ‘internetcriticasters’ die het internet, ook om andere redenen, willen knechten.

Van verbodsrecht naar vergoedingsrecht
Opnieuw hebben beide partijen daarbij weinig oog voor de geschiedenis. Het auteursrecht immers, ontstond na de uitvinding van de boekdrukkunst. Het ‘verbodsrecht’ was in die tijd, toen in een land drie drukpersen stonden, een werkbare methode om auteurs controle te geven over de verspreiding van hun werk.

Al met de komst van de radio en de geluidstechniek werd dit, in het geval van muziek, onwerkbaar. Elk radiostation draait per dag honderden liedjes: het werd zowel voor de makers, als voor gebruikers onmogelijk elkaar op basis van individuele onderhandeling te vinden.

Als oplossing werd daarom het collectief beheer uitgevonden; in Nederlandse termen: muziekauteurs sloten zich aan bij de Buma die hun individuele verbodsrecht feitelijk omzette in een vergoedingsrecht. Wie netjes betaalt krijgt toestemming voor gebruik. Het verbod werd enkel nog een stok achter de deur, voor wie niet betalen wil.

Het succes van dit model vertaalde zich in de Wet op de Naburige Rechten (WNR) in een wettelijk vergoedingsrecht voor openbaarmakingen van commerciële fonogrammen (de Sena-rechten): de wetgever gaf musici en producenten in de WNR niet eens keuze meer individueel te onderhandelen. De maatschappelijke voordelen van de collectieve vergoeding en onderhandeling waren daarvoor te groot. (Helaas werd deze wetgeving niet van toepassing voor digitale on-demand-diensten; reden waarom Sena in het geval van on-demand-streaming geen rol kan spelen.)

Terug naar de nieuwe tijd
Op internet is (in theorie althans) inmiddels elke consument een radiostation geworden; iedereen kan muziek en films ‘uitzenden’ en ook uit tal van bronnen binnenhalen. Radicale internet-enthousiasten vinden soms betalen voor muziek een onredelijke beperking van de vrijheid van informatie en de mogelijkheden die het internet hen biedt. Internetsceptici willen het verbodsrecht scherpe (digitale) tanden geven. Maar de geschiedenis wijst uit dat een toekomst van vergoedingsstructuren (middels gedwongen collectief beheer) de logische, waarschijnlijke en redelijke oplossing is. Alleen een website die binnen een dergelijk systeem nog steeds niet betalen wil, zou moeten worden afgesloten of als ultiem middel (louter op aanwijzing van de rechter) worden geblokkeerd; net als offline een radiostation dat geen auteursrechten betaalt geen lang leven is beschoren; iets wat wij allemaal heel redelijk vinden.

Essentieel is te streven naar een redelijk evenwicht waarin rechtengebruik op het internet eenvoudiger dan nu het geval is wordt mogelijk gemaakt en waarin handhaving van rechten op evenwichtige en effectieve wijze kan plaatsvinden: gericht op illegale websites en niet op consumenten, binnen een vergoedingenstructuur die elk nieuw businessmodel op internet de mogelijkheden biedt legaal muziek, series en films aan te bieden.

Het wordt kortom tijd extreme opvattingen achter ons te laten en te werken aan een evenwichtige regulering van het internet.

Erwin Angad-Gaur is secretaris/directeur van de Ntb, de vakbond voor musici, componisten/tesktschrijvers en acteurs

IEF 10964

Aanvulling en vervanging amendementen wijziging cbo

De amendementen uit IEF 10909, die donderdag a.s. ter stemming gebracht, worden aangevuld en vervangen:

Amendement van de leden Peters en Van Toorenburg over het verbreden van de ex-ante toetsing van de tarieven door het College van Toezicht en het geven van nadere criteria voor deze ex-ante toetsing. Kamerstukken II, 2011-2012, 31 766, nr. 21.

Amendement van het lid Peters ter vervanging van nr. 15 over het bij amvb regels geven voor het beheer van de gelden waarvoor geen rechthebbenden gevonden zijn en de aanwending van de gelden voor andere doeleinden dan uitkering aan de rechthebbenden. Kamerstukken II, 2011-2012, 31 766, nr. 22.

 

IEF 10962

Vooralsnog niet ondertekenen van ACTA

Kamerbrief minister Verhagen en staatssecretaris Teeven over het vooralsnog niet ondertekenen van het Anti-Counterfeiting Trade Agreement (ACTA) totdat vaststaat dat het verdrag in lijn is met de grondrechten in Nederland.

In de aangenomen motie wordt de regering verzocht “om het ACTA-verdrag niet te tekenen zolang niet onomstotelijk vastgesteld is dat het verdrag niet in strijd is met de grondrechten”. In een van de overwegingen is aangegeven dat volgens artikel 218, lid 11 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie iedere lidstaat het advies van het Europees Hof van Justitie kan inwinnen over de verenigbaarheid van een voorgenomen overeenkomst met de Europese verdragen. Tijdens het debat over de Staat van de Europese Unie van 9 februari jl. hebben minister-president Rutte en minister Rosenthal reeds aangegeven dat Nederland een ordentelijke procedure op dit gebied heeft, namelijk het vragen van advies aan de Raad van State.

Afgelopen woensdag, 22 februari, heeft Eurocommissaris De Gucht bekend gemaakt dat de Europese Commissie het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat vragen om te beoordelen of ACTA - op enigerlei wijze - onverenigbaar is met Europese fundamentele rechten en vrijheden, zoals de vrijheid van meningsuiting en informatie, het recht op gegevensbescherming, en het recht op eigendom in het geval van intellectuele eigendom [red. zie ook IEF 10947].

Voorts heeft de regering besloten om ter uitvoering van de motie de Raad van State op grond van artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de Raad van State om voorlichting te vragen over deze kwestie, overeenkomstig overwogen en gevraagd in de motie, waarbij de vicepresident van de Raad van State expliciet wordt gevraagd in hoeverre hij daartoe ruimte ziet, gegeven het besluit van de Europese Commissie om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vragen te stellen.

IEF 10959

Originaliteit vereist geen persoonlijk stempel meer?

Hof van Cassatie van België 26 januari 2012, C.11.0108.N (Artessuto nv tegen B&T Textilia en Indecor-Europe)

Gesignaleerd door en met samenvatting van Hannes Abraham.

België. Tekeningen in opdracht gemaakt. Auteursrecht. Wandtapijt in 'oude kleuren'.
 
Het eerste middel van eiseres in cassatie is gericht tegen het afwijzen door de appelrechters van een beroep op het Tekeningen- en Modellenrecht, louter wegens afwezigheid van een depot. Het Hof van Cassatie beslist dat de appelrechters niet antwoorden op de argumenten van eiseres daaromtrent.
 
Het belang van dit arrest ligt echter in het tweede middel. Het betreft de originaliteitsvereiste in het auteursrecht. De appelrechters stellen vast dat er een eigen intellectuele schepping van de auteur plaats vond, maar dat een persoonlijke stempel van deze ontbreekt, om vervolgens te beslissen dat er geen sprake is van de vereiste originaliteit. Deze invulling van het originaliteitsbegrip komt overigens overeen met vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 25 oktober 1989, Arr. Cass. 1989-90, 272; Cass. 24 februari 1995, Arr. Cass. 1995, 210; Cass. 5 maart 2005, www.cass.be).
 
Het Hof van Cassatie lijkt echter terug te komen op haar voorgaande rechtspraak door in deze zaak uitdrukkelijk te beslissen dat het niet vereist is dat een werk de stempel van de persoonlijkheid van de auteur draagt. Door het werk aan deze vereiste te toetsen hanteren de appelrechters volgens het Hof een extra voorwaarde die niet door de wet gesteld wordt. Daarom wordt het bestreden arrest verbroken.
 
De vraag kan gesteld worden of deze ommekeer in de rechtspraak in overeenstemming is met de geldende rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Infopaq-arrest vereist een “eigen intellectuele schepping van de auteur” die moet kunnen “uitdrukking geven aan zijn creatieve geest” (HvJ 16 juli 2009, Infopaq/Danske Dagblades Forening, C-5/08, punten 32-45). Volgens een enge interpretatie kan het nieuwe criterium van het Hof van Cassatie in dit communautaire originaliteitsbegrip passen. Maar wat vangt men dan aan met het criterium uit het Painer-arrest: “een intellectuele schepping van de auteur die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt”(HvJ 1 december 2011, Painer/Standard Verlags GmbH, punt 2)? Wordt ongetwijfeld vervolgd…

4. Een werk van letterkunde of kunst wordt krachtens deze bepaling auteursrechtelijk beschermd als het oorspronkelijk is in die zin dat het gaat om een eigen intellectuele schepping van de auteur. Hierbij is niet vereist dat het werk de stempel draagt van de persoonlijkheid van de auteur.

5. De appelrechters oordelen: “De variaties die [de eiseres] aangebracht heeft in de bestaande stadsgezichten vormen geen intellectuele inspanning die aan het werk het nodige individuele karakter geven waardoor een vorm ontstaat. De vorm draagt niet de stempel van de persoonlijkheid van Mevrouw C.. De vorm is niet zodanig beïnvloed door haar persoon dat het werk een eigen persoonlijk, karakter vertoont. De intellectuele schepping van de auteur is niet aantoonbaar in de tekeningen.”

6. De appelrechters die aldus vereisen dat een werk om de bescherming van het auteursrecht te genieten de stempel dient te dragen van de persoonlijkheid van de auteur, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Op andere blogs:
KluwerCopyrightBlog
(Belgian Supreme Court: against the tide of the CJEU’s case law on “originality”?)
Schoups advocaten

IEF 10958

Handtassen in de loop van de geschiedenis

Vzr. Rechtbank Amsterdam 23 februari 2012, KG ZA 12-84 (E tegen RO&R&S)

Uitspraak en afbeeldingen ingestuurd door Joep Weel, ABC Legal.


Auteursrecht. Handtassen. E is ontwerpster van de B Bag. R&S betwist de auteursrechtelijk bescherming omdat het volgens haar niet gaat om een origineel idee, maar om een trend in de mode die door meerdere ontwerpers wordt gevolgd.

Voorzieningenrechter stelt dat het vereiste van EOK niet zodanig absoluut moet worden uitgelegd dat het werk als zodanig als geheel nieuw moet worden beschouwd. Het gaat erom dat het werk iets voldoende eigens bevat dat aan de maker ervan kan worden toegeschreven. Dat er in de loop van de geschiedenis velerlei (dames)tassen zijn gemaakt die in meerdere of mindere mate een bepaalde overeenstemming hebben, staat geen uniciteit van onderhavige handtas in de weg. Vanwege de gekozen de vorm en uitwerking is de handtas van E vatbaar voor auteursrechtelijke bescherming. Partijen zijn het eens dat de zodanig grote overeenkomsten niet op toeval kunnen berusten, maar verwijten elkaar dat de respectievelijke handtassen als voorbeeld zijn genomen. E. wordt als eerste ontwerper aangewezen zodat het handelen van RO&R&S inbreukmakend is. Dit wordt ondersteund door nevenvorderingen en dwangsommen.

5.6. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Auteursrecht bestaat met betrekking tot een werk van letterkunde, wetenschap of kunst. Vereist is dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft. Dit vereiste mag niet zodanig absoluut worden uitgelegd dat het werk als zodanig als geheel nieuw moet kunnen worden beschouwd. Het gaat erom dat het werk iets voldoende eigens bevat, dat aan de maker ervan kan worden toegeschreven. Het eindproduct dient oorspronkelijk te zijn in die zin dat het nog niet eerder in de bewuste vorm is vertoond. Aan dit vereiste is voldaan. Dat er in de loop van de geschiedenis velerlei (dames)tassen zijn gemaakt die in meerdere of mindere mate een bepaalde overeenstemming hadden met de B Bag, zoals de door RO&S genoemde Gucci-tas, staat niet in de weg aan het oordeel dat de vorm en uitwerking die thans door E is gekozen een zodanige uniciteit bevat dat deze als een nieuw werk dient te worden beschouwd. Daarmee is het ontwerp vatbaar voor auteursrechtelijke bescherming.

5.13. Beide partijen zijn van mening dat de overeenkomsten tussen De B-Bag en de keycordtas zodanig groot zijn dat deze niet op toeval kunnen berusten. De voorzieningenrechter is dit eveneens van oordeel. Partijen verwijten elkaar dat zij het ontwerp van de ander als voorbeeld hebben gebruikt. De vraag wie het eerste ontwerp had is hiervoor reeds aan de orde gekomen. Nu daarbij is geoordeeld dat voorshands moet worden aangenomen dat dit E is, moet het handelen van RO&S als inbreukmakend worden beschouwd.

IEF 10957

Behoefte aan standaardisatie

Rechtbank Utrecht 22 februari 2012, LJN BV7975 (ACS Systems tegen Terwa)

Uitspraak ingezonden door Lars Bakers, Bingh advocaten. In navolging van IEF 5062.

Een tussenvonnis (vrijwel eindvonnis). Primair slaafse nabootsing, subsidiair auteursrecht afneembare trekhaaksystemen.

ACS is fabrikant van (halffabricaten van) trekhaaksystemen. Terwa is een metaalbewerker. In het tussenvonnis wordt gesproken over de verhouding slaafse nabootsing en de standaardisatiebehoefte in trekhaaksystemen.

Dit wordt per element uiteengezet: kogelstand, koppelstuk, lasnaad tussen voorgaande twee en de bedieningsknop. Tot slot wordt het totaalbeeld van beide trekhaaksystemen verschillend beoordeeld en is er geen verwarringsgevaar. De subsidiaire auteursrechtelijke gronden wordt tevens afgewezen. De onderdelen van het trekhaaksysteem zijn niet voldoende oorspronkelijk vanwege de technische en functionele eisen.

Rechtbank houdt enkel en alleen de exacte hoogte van de proceskostenveroordeling aan, tot nadat partijen daarover eerst een akte hebben genomen (r.o. 4.34).

4.5. Onder de deugdelijkheid en bruikbaarheid van een product wordt mede de bij een deel van de afnemers bestaande wensen ten aanzien van het uiterlijk of de eigenschappen van het product verstaan die verband houden met de behoefte aan de standaardisatie (HR 12 juni 1970, NJ 1970, 434 en HR 20 november 2009, LJN: BJ6999). De deugdelijkheid en bruikbaarheid van een product heeft betrekking op technische en functionele aspecten van (de onderdelen van) het product en op economische aspecten, in die zin dat onder de afnemers bepaalde behoefte en wensen kunnen bestaan met betrekking tot een uniforme maatvoering en verdere vormgeving. Het nabootsen kan ten slotte ook gerechtvaardigd zijn indien een niet te verwaarlozen groep afnemers geen behoefte heeft aan een zodanige standaardisatie, omdat hierdoor niet wordt uitgesloten dat de nabootser een redelijk belang heeft bij dat deel van de markt waar een standaardisatie overeenkomstig het nagebootste wel wordt gewenst (vgl. HR 12 juni 1970, NJ 1970, 434). Steeds blijft op de nabootser de verplichting rusten om bij het nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door de als gevolg van de aanpassing aan de standaard bestaande gelijkheid van de beide producten gevaar voor verwarring ontstaat of vergroot wordt.

4.7. ACS legt aan haar vordering niet ten grondslag dat verwarringsgevaar te duchten is bij de trekhaakfabrikanten, maar bij de autobouwers, fitters, tussenhandelaren en consumenten. (...) Los van het antwoord op de vraag of Terwa inderdaad dezelfde naam aan haar producten geeft als ACS, is hierdoor immers geen verwarring te duchten (...) nu die producten niet op de voor hen toegankelijke markt zijn gebracht onder de door ACS of Terwa gegeven naam, maar slechts onder de merknaam van de trekhaakfabrikant.

Proceskosten
4.34. Gelet op het voormelde, en gelet op het feit dat ACS nog geen gelegenheid gehad om op de door Terwa subsidiair verzochte proceskostenvergoeding te reageren, stelt de rechtsbank ACS in de gelegenheid te reageren op de door Terwa gevorderde proceskosten, en stelt de rechtbank beiden partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om in onderhavige zaak de indicatietarieven volgens de richtlijn in IE-zaken toe te passen en over de vraag wat de verdeling is van de proceskosten op grond van de IE-grondslag en de onrechtmatige daad grondslag in deze procedure. De rechtbank biedt ACS de gelegenheid om zich eerst bij akte - uitsluitend - hierover uit te laten, waarna Terwa de gelegenheid krijgt om zich bij akte uit te laten. De Rechtbank merkt op dat partijen geen gelegenheid krijgen om zich over andere punten uit te laten.

Lees het vonnis hier (grosse HA ZA 10-814, LJN BV7975, schone pdf).

IEF 10949

Presentaties VMC/VVA

Update 24 februari: nu alle presentaties beschikbaar
Presentatie Dirk Visser
Presentatie Arno R. Lodder
Presentatie Egbert Dommering

De Vereniging voor Media- en Communicatierecht (VMC) en de Vereniging voor Auteursrecht (VVA) organiseerde 22 februari een gezamenlijke studiemiddag over de Brein/Ziggo-XS4All-zaak en het Europese perspectief zoals dat gevormd wordt door onder meer de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in Scarlet/Sabam (en Sabam/Netlog).

Ingezonden door Dirk Visser, Klos Morel Vos & Schaap, Universiteit Leiden.
Ingezonden door Arno R. Lodder, VU Amsterdam
Ingezonden door Egbert Dommering, IViR.

Het arrest wordt door Egbert Dommering geannoteerd in de eerstvolgende aflevering van AMI.

Antwoord Engelfriet op door Visser gebruik citaat: RE: over de context.

IEF 10956

De duur van het gebruik is geen relevant criterium

Ktr. Rechtbank Arnhem 21 november 2011, LJN BV6788 (eiser tegen gedaagde in persoon)

Zojuist gepubliceerd. Auteursrecht. Foto's. Duur van het gebruik is geen relevant criterium. Eiser is professioneel fotograaf en hanteert algemene voorwaarden waarin auteursrecht niet wordt afgestaan. Gedaagde partij heeft een website ontworpen waarop diverse foto's te zien zijn. Na sommatie zijn de foto's direct verwijderd.

Gebruik op een internetsite zonder voorafgaande toestemming van auteursrechtelijk beschermde foto’s gemaakt door een professionele fotograaf. De discussie gaat over de hoogte van de schadevergoeding. Deze moet worden geschat nu de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. De duur van het gebruik is geen relevant criterium nu plaatsing op een website een veelheid aan (her-)gebruiksmogelijkheden oplevert die niet begrensd is in de tijd.

De kantonrechter is wel gevoelig voor het argument dat het niet aantrekkelijk gemaakt moet worden voor gebruikers van auteursrechtelijk beschermd werk om de inbreuk te herstellen door achteraf alsnog te betalen en dan niet slechter af te zijn dan als zij tevoren toestemming zouden hebben gevraagd. Er volgt een schadevergoeding ad €750 voor drie foto's. Het bedrag wordt gevorderd exclusief btw en omdat hiertegen geen bezwaar is gemaakt, wordt de vordering toegewezen.

4.8.  Waar sprake is van gebruik van de foto’s op een internetsite is de duur van het gebruik geen goede aanknopingsfactor. Immers een enkele plaatsing leidt tot veelheid aan raadplegingmogelijkheden en zelfs indien de websitemaker de betreffende foto’s verwijdert, blijven er tal van mogelijkheden om de foto’s opnieuw op te vragen. Gesteld noch gebleken is dat de eerste plaatsing op internet afkomstig is van [gedaagde partij] terwijl de foto’s via verschillende ingangen, waarvan gesteld noch gebleken is dat die herleid kunnen worden tot [gedaagde partij], op het internet te vinden zijn. [gedaagde partij] heeft voorts onbetwist gesteld dat zij zodra zij kennis kreeg van de aanspraken van [eisende partij], de door haar geplaatste foto’s van [eisende partij] van haar website heeft afgehaald.

De kantonrechter kent voorts betekenis toe aan het feit dat geen sprake is van recent werk. Van foto 1 (Foto 1 - C-1653-7 Luchtfoto “Riverparc bouwrijp maken”) staat vast dat deze reeds uit 1993 dateert. Foto 4 (C2465 Dorp Giesbeek met Hewi terrein) dateert uit 1977. Daarmee mag aangenomen worden dat deze foto’s inmiddels opbrengst hebben kunnen opleveren en dat de opbrengst van toekomstig gebruik beperkt zal zijn. Om die reden acht de kantonrechter een bedrag van € 100,00 per foto een deugdelijke vergoeding voor het gebruik, waarbij de duur van het gebruik verder buiten beschouwing blijft.

4.9.  De kantonrechter is wel gevoelig voor het argument dat het niet aantrekkelijk gemaakt moet worden voor gebruikers van auteursrechtelijk beschermd werk om de inbreuk te herstellen door achteraf alsnog te betalen en dan niet slechter af te zijn dan als zij tevoren toestemming zouden hebben gevraagd. Een dergelijk gebruik van zijn werk levert de auteursrechthebbende immers ook schade op. Dat geldt ook voor het weglaten van de naamsvermelding. Om die reden ziet de kantonrechter aanleiding om de totale schade, inclusief de hiervoor vastgestelde deugdelijke vergoeding voor het gebruik, vast te stellen op € 750,00 voor de drie foto’s. [eisende partij] heeft gevorderd dat bedrag “voor zover van toepassing te vermeerderen met btw”. [gedaagde partij] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt zodat de vordering aldus zal worden toegewezen.

IEF 10951

Cupje van Perry

Kantonrechter rechtbank Rotterdam 7 april 2010, LJN BV6681 (verzoekster tegen verweerder [O])

Met dank aan Charissa Koster, ABC Legal: vergelijk IEF 8953 [en zie onder].

Arbeidsrecht en IE. Werkgeversauteursrecht. Verweerder is Algemeen Directeur en heeft een leidende rol in ontwikkelen van nieuwe verpakkingen van noten en zuidvruchten. Nadat de contracten voor de productie bijna rond was, heeft verweerder medegedeeld dat het 'cupje van Perry', zo werd het steevast aangeduid, op persoonlijke titel als gemeenschapsmodel heeft geregistreerd. Verzoekster wilde geen licentie afnemen onder, voor hem, onaanvaardbare condities.

Omdat het 'cupje van Perry' in eigen tijd en op eigen kosten is ontworpen, op eigen naam en kosten is geregistreerd en dat verweerder een licentie wilde aangaan, blijkt dat verzoekster deze (auteurs)rechten onderkend. Echter om de juistheid te beoordelen zal het horen van getuigen noodzakelijk zijn. Verzoekster verzet zich niet-succesvol tegen nadere bewijsgaring, zoals door verweerder gevraagd.

Uit IEF 8953: Rechtbank 's-Gravenhage 1 juli 2010, KG ZA 10-720 (PvO tegen Dutch-Nut-Group B.V./Faerch Plats A/S)

Modeldepot. Hangende de opgestarte bodemprocedure, die vanwege faillissement niet is voorgezet, heeft de ex-werknemer een kort geding gestart. DNG en Faerch zijn een samenwerking aangegaan betreffende de exclusieve ontwikkeling en productie van een notendispenser. Omdat Faerch op 25 maart 2009 de Gemeenschapsmodellen 001112361 en 001508680 heeft gedeponeerd en de ex-werknemer een evident identiek modeldepot heeft verricht op een later tijdstip 12 mei 2009, wordt de eerstgenoemde in het gelijk gesteld.

Nu de vorderingen in reconventie een direct uitvloeisel zijn van het verweer in conventie, zal de voorzieningenrechter de volledige kosten toerekenen aan het geschil in conventie [ad €24.662,89]

Arbeidsrechtelijke voortzetting: Het primaire verzoek, ontbinding arbeidsovereenkomst vanwege dringende reden, kan niet worden toegewezen nu de door werkgever hieraan ten grondslag gelegde feiten alle door werknemer gemotiveerd zijn betwist en de lezing van werknemer niet bij voorbaat onaannemelijk voorkomt, zodat van de juistheid van het door werkgever gestelde feitencomplex onvoldoende is gebleken.

Het subsidiaire verzoek van werkgever en het tegenverzoek van werknemer gaan beide uit van door de gerezen situatie veranderde omstandigheden die aan een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie in de weg staan. De kantonrechter deelt die inschatting van partijen en de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden. Gezien de omstandigheden bestaat er geen aanleiding de hoogte van de aan werknemer toe te kennen vergoeding te differentiëren al naar gelang de indiener van het verzoek.

7.3 Partijen verschillen van mening over de vraag aan wie de (intellectuele eigendoms)rechten toekomen die verbonden zijn aan de nieuw ontworpen verpakking. Door [verzoekster] is inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Den Haag om hieromtrent een uitspraak te krijgen. [verweerder] heeft bepleit dat in de onderhavige procedure nader onderzoek, in de vorm van het horen van getuigen, zal plaatsvinden naar (de afspraken over) (de aanspraken op) die rechten. Immers, eerst dan zal het handelen van partijen ten opzichte van elkaar in een juist daglicht kunnen worden gezien om een oordeel te kunnen te geven over eventuele verwijtbaarheid van (een der) partijen bij een uit te spreken ontbinding. [verzoekster] heeft zich uitdrukkelijk verzet tegen het horen van getuigen, stellende dat de aard van de onderhavige procedure zich met het hiermee gepaard gaande uitstel niet verdraagt alsmede dat de vraag wie rechthebbende is geen beantwoording behoeft om het handelen van partijen te kunnen beoordelen.

7.4 De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de thans voorliggende gegevens niet valt vast te stellen wie de rechthebbende is en ook dat duidelijkheid hierover noodzakelijk is om de primaire grondslag van het verzoek van [verzoekster] te kunnen toetsen. Immers, indien partijen (uitdrukkelijk of stilzwijgend) overeen zijn gekomen dat [verweerder] de rechten toekwamen (zoals zijn standpunt luidt) zal dat tot een geheel andere waardering van diens handelen aanleiding geven dan wanneer [verweerder] zich eigenmachtig en zonder instemming van [verzoekster] als rechthebbende heeft laten registreren (zoals [verzoekster] stelt).

Nu de door [verzoekster] aan de primaire grondslag van haar verzoek ten grondslag gelegde feiten alle door [verweerder] gemotiveerd zijn betwist, diens lezing niet bij voorbaat onaannemelijk voorkomt en [verzoekster] zich verzet tegen nadere bewijsgaring, moet de conclusie zijn dat van de juistheid van het door [verzoekster] gestelde feitencomplex onvoldoende is gebleken. Het primaire verzoek kan dan ook niet worden toegewezen.