DOSSIERS
Alle dossiers

Bewijs  

IEF 14792

Mogelijk vragen aan HR over rechtmatig belang en rechtsbetrekking

Hof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2015, IEF 14792; ECLI:NL:GHARL:2015:2103 (Synthon tegen Astellas)
Octrooirecht. Procesrecht. Bewijs 1019b en 843a Rv. Astellas is houdster van EP0661045 B1 voor een ‘Hydrogelpreparaat met aanhoudende afgifte’, zij heeft inzage gekregen in de relevante documentatie IEF 12305. Met haar grieven komt Synthon onder meer op tegen de door de voorzieningenrechter gehanteerde maatstaf voor het beoordelen van het voor inzage volgens de artikelen 843a jo. 1019a Rv vereiste rechtmatige belang en de rechtsbetrekking. Het hof stelt voor de navolgende prejudiciële vragen over artikel 1019b en 843a Rv aan de Hoge Raad te stellen:

1. aan welke maatstaf dient ten minste te worden voldaan voor het aannemen dat ‘verzoeker [die] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er inbreuk op zijn recht van intellectuele eigendom is gemaakt of dreigt te worden gemaakt’ in de zin van artikel 1019b Rv?
2. aan welke maatstaf dient ten minste te worden voldaan voor het aannemen van een ‘rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’ zoals vereist voor toewijzing van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv, indien die rechtsbetrekking bestaat uit een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom?
3. geldt in gevallen waarin het beslagen bewijsmateriaal waarin inzage of waarvan afschrift wordt gevorderd dient ter staving van de vraag of in technische zin inbreuk wordt gemaakt op een recht van intellectuele eigendom enerzijds, en in gevallen waarin het beslagen bewijsmateriaal waarin inzage of waarvan afschrift wordt gevorderd dient ter staving van bijvoorbeeld de vraag door wie, in welk land en in welke omvang de gesteld inbreukmakende handelingen worden verricht anderzijds, dezelfde maatstaf?
4. indien het antwoord op de derde vraag negatief luidt, aan welke maatstaf dient dan in genoemde respectieve gevallen ten minste te worden voldaan voor het aannemen van een ‘rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’ zoals vereist voor toewijzing van een vordering uit hoofde van artikel 843a Rv?
IEF 14737

Onrechtmatige daad is rechtsbetrekking ex 843a Rv

Conclusie AG Hoge Raad 6 maart 2015, IEF 14737; ECLI:NL:PHR:2015:156 (Psychiatrisch rapport slachtoffers Alphen a/d Rijn)
Afgifte ex 843a Rv. NIFP-rapport. Schietincident Alphen a/d Rijn. Vraag of slachtoffers en nabestaanden recht hebben op een kopie van het psychiatrisch rapport dat het Openbaar Ministerie heeft laten opstellen na de dood van de schutter. Toezegging minister hierover/Toepasselijkheid Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Nu de wetgever eenmaal heeft aanvaard dat een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad waarbij de afschrift verzoekende partij betrokken is, een ‘rechtsbetrekking’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv kan zijn, ligt een bevestigend antwoord op deze vraag meer voor de hand dan een ontkennend antwoord.

2.31 […] Het hof is van oordeel dat het bepaalde in art. 843a lid 1 Rv niet van toepassing is omdat de verlangde afgifte niet kan worden gebaseerd op enige tussen eisers en de Staat bestaande rechtsbetrekking (rov. 4.2).
[…]

2.45 Na deze beschouwingen – het is spijtig voor de slachtoffers en nabestaanden te Alphen aan den Rijn dat zij onbedoeld verzeild zijn geraakt in een al lang lopende rechtswetenschappelijke discussie −, keer ik terug naar het cassatiemiddel. Naar mijn mening is de rechtsklacht gegrond, in zoverre dat art. 843a Rv niet de eis stelt dat in rechte een rechtsbetrekking vaststaat tussen eisers (als verzoekers van een afschrift van het NIFP-rapport) en de Staat (als degene tot wie het verzoek om een afschrift is gericht). Naast een ‘rechtmatig belang’ vereist art. 843a lid 1 Rv dat het gaat om bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin de verzoekende partij of haar rechtsvoorganger(s) partij zijn; dat kan, dunkt mij, ook een rechtsbetrekking zijn tussen eisers en een ander dan de Staat.

2.46 Daarmee komt vervolgens de vraag aan de orde, of het in dit geval gaat om bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin eisers (of hun rechtsvoorganger) partij zijn. […]

2.48 Nu de wetgever eenmaal heeft aanvaard dat een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad waarbij de afschrift verzoekende partij betrokken is, een ‘rechtsbetrekking’ in de zin van art. 843a lid 1 Rv kan zijn, ligt een bevestigend antwoord op deze vraag meer voor de hand dan een ontkennend antwoord. Op basis van de voorliggende feiten zou de Hoge Raad m.i. zelf kunnen beslissen dat het NIFP-rapport is aan te merken als een bescheid aangaande een rechtsbetrekking waarbij eisers (of hun rechtsvoorganger) partij zijn. Daarmee is niet gezegd dat de vordering van eisers dan voor toewijzing gereed ligt. Na vernietiging en verwijzing zal opnieuw moeten worden onderzocht of het bepaalde in het derde lid, dan wel het bepaalde in het vierde lid van art. 843a Rv aan toewijzing in de weg staat72. De slotsom is dat ik onderdeel 3 gegrond acht.
IEF 14771

Zaad, spruit en plant van rode radijs is voor octrooiaanvraag openbaar gebruikt

Rechtbank Den Haag 18 maart 2015, IEF 14771 (Cresco tegen Taste of Nature)
Uitspraak ingezonden door Thomas Berendsen, Legalexperience en Maarten Rijks, BANNING. Zie eerder IEF 12649 en IEF 10846. Octrooirecht. Bij het tussenvonnis van 8 mei 2013 heeft de rechtbank Cresco opgedragen te bewijzen dat Koppert Cress al voor de datum van EP1290938 producten volgens het octrooi aan afnemers heeft geleverd. Cresco slaagt in het bewijs. Het in conclusie 11 van het octrooi geclaimde zaad, de in conclusie 5 geclaimde spruit en dus ook de in conclusie 1 geclaimde plant is openbaar gebruikt voorafgaand aan de octrooiaanvraag. De conclusies zijn niet nieuw en het Nederlands deel van het octrooi is nietig. 

2.4. Ten eerste moet worden aangenomen dat het in april en augustus 2001 aan Van der Plas geleverde KTÏO 1-zaad, hetzelfde product is als Koppert in 2002 aan Van der Plas heeft geleverd. Dat de sprouts die groeien uit de laatstgenoemde zaden voldoen aan de kenmerken van het octrooi blijkt genoegzaam uit de tekst “Patent is van toepassing op Sango Sprouts” op de facturen die Van der Plas voor die zaden heeft ontvangen (producties 13 en 14 van Cresco) en is ook niet bestreden door ToN. Uit productie 13, de factuur van 13juni 2002, blijkt voorts dat het hier gaat om zaad met de aanduiding KT1O1. Dat de KT1OI-zaden die Van der Plas véôr de aanvraag van het octrooi heeft gekregen hetzelfde product betreffen, is wel bestreden, maar acht de rechtbank bewezen. Van der Plas heeft in de verklaring die Cresco als productie 15 heeft overgelegd namelijk uitdrukkelijk verklaard dat de zaden die hij voor en na de aanvraag van het octrooi heeft gekregen, dezelfde producten betreffen, namelijk zaden voor de opgroei van Sango sprouts met een dieprode kleur. In zijn getuigenverklaring heeft Van der Plas onder ede bevestigd dat die verklaring juist is. De rechtbank acht deze verklaring van de onafhankelijke getuige Van der Plas geloofwaardig.

2.7. Ten tweede heeft Cresco aangevoerd dat de sprouts die Van der Plas heeft geproduceerd met het in 2001 geleverde KT1O 1-zaad, hetzelfde product zijn als het product dat Koppert Cress heeft gebruikt als inzending voor de AGF-innovatieprijs. Dat heeft ToN niet bestreden en wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van Gerrit Koppert die ToN heeft overgelegd (productie 39 van ToN). Gerrit Koppert verklaart uitdrukkelijk dat de partij zaad die aan van Van der Plas is verkocht, ook is gebruikt voor de AGf innovatieprjs. Bij dagvaarding heeft Cresco al betoogd dat die prjswinnende sprouts voldeden aan de kenmerken van het octrooi. Dat heeft ToN tot het tussenvonnis nooit bestreden. ToN nam slechts het standpunt in dat de sprouts niet openbaar toegankelijk zijn gemaakt in het kader van de innovatieprjs. Op basis daarvan heeft de rechtbank in het tussenvonnis geconcludeerd dat vast stond dat er voorafgaand aan de aanvraag van het octrooi spuiten overeenkomstig het octrooi waren vervaardigd en dat alleen in geschil was of die spruiten openbaar toegankelijk waren gemaakt (r.o. 5.15 van het tussenvonnis). De rechtbank ziet geen aanleiding terug-te komen op dat oordeel. Het enige dat ToN daar nu tegenin brengt is namelijk dat het KT1O 1-zaad en de sprouts die Van der Plas daaruit heeft laten groeien van slechte kwaliteit waren. Dat verweer had ToN eerder naar voren dienen te brengen en heeft de rechtbank hiervoor in rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 al verworpen.

2.8. Ten derde moet worden aangenomen dat het aan Van der Plas in mei en augustus 2001 geleverde KT1O 1-zaad is gebruikt voor de aanvraag van het octrooi. In de als productie 39 door ToN overgelegde verklaring verklaart Gerrit Koppert namelijk het volgende over die partij KTIOI:
“We hadden ook nog een klein beeije zaad van de partij KIlO 1. Dat materiaal hebben we gebruikt voor de patentaanvraag op 7 september.”
De rechtbank is met Cresco van oordeel dat deze verklaring van Gerrit Koppert erop duidt dat de partij KT1OI in het kader van de octrooiaanvraag is gedeponeerd als zaadljn V33. Die zaadljn is namelijk de enige zaadljn voor de productie van sprouts met het geclaimde anthocyanine-gehalte die het octrooischrift concreet beschrijft (zie octrooischrift [0028]) en die overeenkomstig regel 31 van het Uitvoeringsreglement is gedeponeerd.

Op andere blogs:
BrantsAndPatents

IEF 14731

Geen overtuigend bewijs openbaar voorgebruik cupped occluder

Rechtbank Den Haag 4 maart 2015, IEF 14731; ECLI:NL:RBDHA:2015:7287 (Occlutech tegen AGA Medical)
Uitspraak ingezonden door Peter van Schijndel, Hoyng Monegier. Octrooirecht. Bewijs. Uit het tussenvonnis volgt dat Occlutech moet bewijzen dat de occluder openbaar is voorgebruikt ten op zichte van EP0957773. De bewijslevering heeft plaatsgevonden waarbij een getuige, arts die een occluder heeft geïmplanteerd voorafgaand aan de prioriteitsdatum, via een videolink is gehoord. Er bestaat echter teveel twijfel over de vorm van de schijven die in 1995 zijn geïmplanteerd. In Nederland, anders dan in het Verenigd Koninkrijk, is het nodig dat de rechter overtuigd is van hetgeen gesteld. De rechtbank schorst het geding ex 83 lid 4 ROW totdat bij het EOB in beroep eindoordeel is geveld.

2.10. Al op grond van het voorgaande bestaat teveel twijfel over de vorm van de schijven van de in september 1995 geïmplanteerde occluders om Occlutech in het te leveren bewijs geslaagd te achte. De rechtbank kan daarlaten wat dr. A en dr. G schriftelijk hebben verklaard over de platte vorm van de schijven.

2.11 De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst een andere is dan in het Verenigd Koninkrijk. (...) Enerzijds zal dit verschil te maken hebben met een andere waardering van de bewijzen en getuigenissen, maar anderszijds mogelijk ook met de aldaar gehanteerde bewijsrechtelijke drempel (volgens AGA: "balance of probabilities"). In Nederland is nodig dat de rechter tot de overtuiging komt dat hetgeen als feit wordt gesteld, waar is. Absolute zekerheid is daarbij niet noodzakelijk, maar wel een behoorlijke mate van zekerheid, die de rechtbank evenwel niet heeft bekomen. (...) Het oordeel van de rechtbank over het openbaar voorgebruik is overigens weer wel in lijn met de bevindingen van de Oppositie Afdeling van het EOB op dit punt. Tot slot kan de rechtbank de vraag daar laten of M. c.s. aan een vorm van (impliciete) vertrouwelijkheid was gevonden bij deze eerste drie implantaties.

Lees de uitspraak (pdf/html)

IEF 14718

Conclusie AG: Weigering erkenning beslissing vanwege openbare orde in aangezochte lidstaat

Conclusie A-G 3 maart 2015, IEF 14718; ECLI:EU:C:2015:137; zaak C-681/13;  (Diageo tegen Simiramido-04)
Conclusie mede ingezonden door Arnout Gieske en Marco Gerritsen, Van Diepen Van der Kroef advocaten. Gerechtskosten. Beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat die strijdig is met het merkenrecht van de Unie. Conclusie AG na prejudiciële vragen van de Nederlandse Hoge Raad [IEF 13375]. Het feit dat een beslissing die in de staat van herkomst is gegeven strijdig is met het recht van de Europese Unie, rechtvaardigt niet dat deze beslissing in de aangezochte staat niet wordt erkend op grond dat zij strijdig is met de openbare orde van deze staat.

Gezien het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Hoge Raad der Nederlanden als volgt te beantwoorden:

1)      Artikel 34, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet in die zin worden uitgelegd dat het feit dat een beslissing die in de staat van herkomst is gegeven strijdig is met het recht van de Europese Unie, niet rechtvaardigt dat deze beslissing in de aangezochte staat niet wordt erkend op grond dat zij strijdig is met de openbare orde van deze staat. Een loutere onjuiste opvatting van het nationale recht of van het Unierecht zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding kan, aangezien zij geen kennelijke schending oplevert van een rechtsregel van essentieel belang in de rechtsorde van de aangezochte staat, namelijk geen grond vormen voor een weigering om de beslissing te erkennen op basis van artikel 34, punt 1, van verordening nr. 44/2001. De rechter van de aangezochte staat moet wanneer hij nagaat of sprake is van een eventuele kennelijke schending van de openbare orde ten gevolge van de schending van fundamentele regels van het recht van de Unie, rekening houden met het feit dat degene die zich tegen de erkenning van de beslissing in de aangezochte staat verzet, niet de in de staat van herkomst beschikbare rechtsmiddelen heeft aangewend.

2)      De gerechtskosten die verband houden met de procedure die in een lidstaat is ingesteld en betrekking heeft op een schadevordering op grond van schade die door beslag is veroorzaakt, waarin de vraag is gerezen naar de erkenning van een beslissing die is gewezen in een andere lidstaat in een geding tot handhaving van een intellectuele-eigendomsrecht, vallen onder artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.”

Gestelde vragen:

1)      Moet artikel 34, [...] punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat deze weigeringsgrond mede ziet op het geval waarin de beslissing van de rechter van de lidstaat van herkomst evident in strijd is met het Unierecht, en dit door die rechter is onderkend?

2)      a)      Moet artikel 34, [...] punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 aldus worden uitgelegd dat aan een geslaagd beroep op deze weigeringsgrond de omstandigheid in de weg staat dat de partij die zich op deze weigeringsgrond beroept, heeft nagelaten om in de lidstaat van herkomst van de beslissing de aldaar beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden?

2)      b)     Indien het antwoord op vraag 2 a) bevestigend luidt, wordt dit anders indien het aanwenden van rechtsmiddelen in de lidstaat van herkomst van de beslissing zinloos was, omdat moet worden aangenomen dat dit niet tot een andere beslissing zou hebben geleid?

3)      Moet artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG aldus worden uitgelegd dat deze bepaling mede ziet op de kosten die partijen maken in het kader van een geding in een lidstaat tot schadevergoeding, indien de vordering en het verweer betrekking hebben op de beweerde aansprakelijkheid van de verwerende partij wegens beslagen die zij heeft gelegd en aanzeggingen die zij heeft gedaan ter handhaving van haar merkrecht in een andere lidstaat, en in dat verband een vraag rijst naar de erkenning in eerstgenoemde lidstaat van een beslissing van de rechter van laatstgenoemde lidstaat?

IEF 14711

Exhibitieplicht ordergegevens en grafische bestanden zeven klanten

Vzr. Rechtbank Den Haag 23 juli 2014, IEF 14711; ECLI:NL:RBDHA:2014:8992 (Senz Grafische Media tegen Okay Color)
Bewijsbeslag. 843a Rv. Exhibitieplicht na onderzoek bewaarder. De rechtbank bepaalt dat Okay Color aan Senz inzage in en afschrift van ordergegevens en grafische bestanden uit haar administratie dient te verschaffen voor zover deze betrekking hebben op zeven klanten uit de periode na 1 april 2012.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. In Nederland bestaat geen algemene exhibitieplicht voor partijen, in die zin dat partijen jegens elkaar verplicht kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. Met het oog daarop en ter voorkoming van zogenaamde fishing expeditions is toewijzing van een op artikel 843a Rv gebaseerde vordering aan voorwaarden gebonden. Ingevolge artikel 843a lid 1 Rv dient de eiser tot exhibitie een rechtmatig belang hebben, dienen de bescheiden waarvan inzage, afschrift of uittreksel wordt gevorderd te zien op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is en dient de vordering 'bepaalde' bescheiden te betreffen waarover degene van wie de inzage, afschrift of uittreksel wordt gevorderd ook daadwerkelijk de beschikking heeft. Indien aan deze drie cumulatieve voorwaarden is voldaan, is, voor zover in deze zaak van belang, degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft ingevolge artikel 843a lid 4 Rv (desondanks) niet gehouden aan een vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die gegevensverschaffing is gewaarborgd.

4.4. Het door Senz gestelde belang bij het door haar gewenste onderzoek van de beslagen gegevensdragers kwalificeert als een rechtmatig belang als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv. Senz heeft een direct en concreet belang bij de betreffende gegevensdragers in verband met de beoordeling of Okay Color jegens haar onrechtmatig handelt. Dat Senz [B] (thans) niet in rechte heeft betrokken, doet niet af aan de omstandigheid dat die gegevensdragers relevant zijn voor haar rechtspositie tegenover Okay Color.

4.6. Het vorenstaande brengt mee dat voor zover de vordering van Senz de inzage en afschrift van order- en grafische bestandsgegevens betreft die betrekking hebben de genoemde zeven klanten, deze gegevens een rechtsbetrekking aangaan waarbij Senz partij is. Ook aan deze voorwaarde van artikel 843a lid 1 Rv is derhalve voldaan. Voor zover de vordering van Senz betrekking heeft op de door haar verlangde order- en grafische bestandsgegevens met betrekking tot de resterende 93 klanten dient deze te worden afgewezen.

4.7. De door Senz verlangde gegevens betreffende voormelde zeven klanten zijn naar het oordeel van de rechtbank ten slotte voldoende bepaald. Ook aan die voorwaarde van artikel 843a lid 1 Rv is derhalve voldaan. Het is Senz immers te doen om de actuele en historische ordergegevens van deze zeven klanten en de aan deze klanten gekoppelde grafische bestanden, voor zover deze zijn opgeslagen op de gekopieerde gegevensdragers van Okay Color, die zich thans onder bewaarder Riscon bevinden. In zoverre betreft de vordering van Senz tevens een onderzoek van gegevens waarover Okay Color ook daadwerkelijk de beschikking heeft.

in reconventie:
4.10. Okay Color heeft betoogd dat de vordering ex artikel 843a Rv niet kan worden aangemerkt als een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. In dit betoog kan Okay Color niet worden gevolgd. Het gelegde conservatoir bewijsbeslag geeft Senz immers nog geen recht op inzage in de beslagen gegevensdragers. Deze inzage dient afzonderlijk te worden gevorderd. Er is geen rechtsregel die aan het vorderen van die inzage op grond van artikel 843a Rv, onafhankelijk van het materiële geschil dat partijen verdeeld houdt, in de weg staat. De stelling dat bewijsbeslag uitsluitend in IE-zaken is toegestaan kan Okay Color evenmin baten nu de Hoge Raad in zijn arrest van 13 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ9958) het bewijsbeslag uitdrukkelijk ook in niet IE-zaken toelaatbaar heeft geacht.
IEF 14682

Exhibitie van administratie voormalige franchisenemers te weinig specifiek

Hof 's- Hertogenbosch 17 februari 2015, IEF 14682; ECLI:NL:GHSHE:2015:556 (VOF Franchisenemers tegen accountants)
Vordering ex 843a Rv. Voormalig franchisenemers van de franchiseformule Cristal Cleaning, een stomerijketen. Het enkele vermoeden van de VOF, ook al is dit een ‘sterk vermoeden’, dat bepaalde zakelijke posten onder de post privéopnamen zijn geboekt, gebaseerd op de enkele, niet nader onderbouwde stelling dat geïntimeerde zich vaker van deze wijze van administreren bedient, is onvoldoende om tot inzage, afschrift of uittreksel van de grootboekkaarten te verplichten. De onderbouwing van de stelling van de VOF dat de prognose voor het jaar 2005, opgesteld door geïntimeerde ondeugdelijk is, lijkt ook reeds langs andere weg te kunnen worden geleverd.

3.3. Vooropgesteld wordt dat de VOF, [vennoot 1] en [vennoot 2] ex artikel 843a, eerste lid Rv slechts inzage, afschrift of uittreksel kunnen vorderen; geen afgifte (derhalve) van originele bescheiden (HR 31 mei 2002, LJN AA4877, NJ 2003/589). De incidentele vordering van de VOF, [vennoot 1] en [vennoot 2] wordt derhalve aldus gelezen en begrepen dat zij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van hun administratie en van de cijfers van de vorige franchisenemers.

3.4. (...)
De vordering tot exhibitie van ‘de administratie’ is te weinig gespecificeerd om als ‘bepaalde’ bescheiden in de zin van artikel 843a, eerste lid Rv gekwalificeerd te kunnen worden. Nu de VOF, [vennoot 1] en [vennoot 2] niet hebben aangegeven welke bescheiden en geschriften zij nog méér verlangen, naast de genoemde grootboekkaarten en de omzetbelasting-aangiften en -teruggaven, zal het hof zich bij zijn beoordeling of het gevorderde al dan niet kan worden toegewezen, beperken tot de gevorderde grootboekkaarten en de gevorderde omzetbelasting-aangiften en -teruggaven.

3.9 (...) Het enkele vermoeden van de VOF, [vennoot 1] en [vennoot 2], ook al is dit een ‘sterk vermoeden’, dat bepaalde zakelijke posten onder de post privéopnamen zijn geboekt, gebaseerd op de enkele, niet nader onderbouwde stelling dat [geïntimeerde] zich vaker van deze wijze van administreren bedient, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om [geïntimeerde] tot inzage, afschrift of uittreksel van de grootboekkaarten te verplichten.

3.15. De onderbouwing van de stelling van de VOF, [vennoot 1] en [vennoot 2] dat de prognose voor het jaar 2005, opgesteld door [geïntimeerde] ondeugdelijk is, lijkt ook reeds langs andere weg te kunnen worden geleverd.  (...)
Voorts overweegt het hof dat de VOF, [vennoot 1] en [vennoot 2] als productie 3 bij de conclusie van antwoord cijfers hebben overgelegd, opgesteld door een door hen ingeschakelde administrateur, ter onderbouwing van de stelling dat de door [geïntimeerde] verstrekte prognose ondeugdelijk is.

3.16. Hiermee kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de cijfers van de vorige franchisenemers is gewaarborgd (artikel 843a, vierde lid Rv).
IEF 14589

Bewijs of offertes zijn uitgebracht voor de ontbinding niet geleverd

Rechtbank Den Haag 31 december 2014, IEF 14589; ECLI:NL:RBDHA:2014:16730 (New Jet System tegen AVO Anthurium Vogels c.s. en vice versa)
Bewijs in (voormalige) IE-zaak IEF 11897. Het debat is tussen partijen in hun conclusies na enquête beperkt tot het deel of New Jet c.s. eind 2010/begin 2011 offertes heeft uitgebracht aan anderen met betrekking tot project Polen. Per 19 februari 2011 werd de overeenkomst ontbonden. AVO wordt bij tussenvonnis IEF 12668 toegelaten bewijs te leveren. Uit verklaringen van getuigen volgt niet dat de offerte van 16 mei 2011 valt binnen de periode eind 2010/begin 2011.

De vorderingen worden afgewezen, vanwege ontbreken van een IE-rechtelijke vordering wordt 1019h Rv gepasseerd en wordt het liquidatietarief toegepast.

2.8 (...) Omdat naar het oordeel van de rechtbank 16 mei 2011 niet valt binnen de periode “eind 2010/begin 2011”, volgt uit de verklaringen van de getuigen niet dat enige offerte(s) met betrekking tot project Polen aan Van der Arend is(zijn) uitgebracht eind 2010/begin 2011. In ieder geval ontbreekt elk bewijs dat offertes zijn uitgebracht vóór 19 februari 2011 voor het project Polen of enig ander project.

2.9. De conclusie uit het voorgaande is dat BSP en Avo Anthurium Vogels niet zijn geslaagd in het leveren van het hun opgedragen bewijs. Daarom is niet komen vast te staan dat [X] c.s. in strijd heeft gehandeld met de overeenkomst. Alle vorderingen in zaak I in reconventie en in zaak II zullen daarom worden afgewezen.

Lees de uitspraak (pdf/html)

IEF 14561

Vorderingen op tekeningen voor halffabricaten in de snackindustrie ondeugdelijk

Hof Amsterdam 23 december 2014, IEF 14561; ECLI:NL:GHAMS:2014:5823 (Vervalsing halffabricaten snackindustrie)
In kort geding: ECLI:NL:RBNHO:2014:3785. Vorderingen van appellant in verband met vervalsen en/of kopiëren van tekeningen ten behoeve van halffabricaten in de snackindustrie zijn niet gebaseerd op auteursrechten, een octrooirecht of bescherming van knowhow. Dergelijke rechten heeft hij niet, zo heeft hij bij pleidooi nog eens met zoveel woorden gesteld. De wel aangevoerde grondslagen van uitleners (7A: 1781 BW) en bruikleners (7A:1772 BW) en de onrechtmatige daad 6:162 BW zijn echter ondeugdelijk.

2.1. Stellende dat hij een productielijn ten behoeve van halffabricaten in de snackindustrie heeft ontworpen en laten tekenen, dat deze productielijn in zijn opdracht in 2000/2001 in een fabriek in Libanon is gebouwd en geïnstalleerd, dat hij zijn tekeningen aan [geïntimeerde] - in verband met een door deze te coördineren bouw van een derde productielijn in Nederland - heeft uitgeleend en dat hij weliswaar die tekeningen van [geïntimeerde] heeft teruggekregen maar [geïntimeerde] in strijd met het bepaalde in art. 7A:1781 BW en/of art. 6:162 BW de tekeningen heeft veranderd (vervalst) en/of gekopieerd, heeft [appellant] in de eerste aanleg van dit kort geding de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen tegen [geïntimeerde] ingesteld. Na verweer van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter de vorderingen bij het bestreden vonnis afgewezen en [appellant] in de proceskosten verwezen. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust komt [appellant] in dit hoger beroep op. Het hof oordeelt als volgt.

2.2. [appellant] heeft bij herhaling, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, aangegeven dat hij zijn vorderingen niet baseert op hem toekomende auteursrechten, een hem toekomend octrooirecht of op bescherming van knowhow: dergelijke rechten heeft hij niet, zo heeft hij bij pleidooi in hoger beroep nog eens met zoveel woorden gesteld. Tegen deze achtergrond kan, mede gelet op het feit dat [appellant] zijn tekeningen (kennelijk in ongeschonden staat) heeft teruggekregen, in art. 7A: 1781 BW [red. jo. 7A:1772 BW] geen deugdelijke grondslag van het gevorderde worden gevonden evenmin als, bij gebreke van daartoe aangevoerde relevante feiten en omstandigheden, in art. 6:162 BW.

IEF 14501

Oneigenlijk gebruik depot bij griffie

Rechtbank Midden-Nederland 17 december 2014, IEF14501 (griffie gedeponeerde stukken)
Bewijs. Verweerster heeft beweerdelijk gedetailleerde tekeningen en ontwerpen echter niet als productie in het geding gebracht, maar in plaats daarvan ter griffie gedeponeerd, vanwege de omvang. Beroep op gedeponeerde stukken. Bevel tot afgifte bij wege van voorlopige voorziening dan wel afschrift ex art. 843a Rv. Incident ten aanzien waarvan wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist. Stelplicht. Het depot is bedoeld om inzage in originelen te krijgen, dat is in deze zaak niet aan de orde, zodat het depot oneigenlijk wordt gebruikt. Als verweerster zich op de gedeponeerde stukken wil beroepen, zal ze deze daarom op de reguliere wijze in het geding moeten brengen.

 2.4.[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] leggen aan deze vordering ten grondslag dat [verweerster] zich ter onderbouwing van (de omvang van) de door haar gestelde schade heeft beroepen op door haar verrichte voorbereidende werkzaamheden, bestaande uit het maken van gedetailleerde werktekeningen en schetsontwerpen. Zij heeft die tekeningen en ontwerpen echter niet als productie in het geding gebracht, maar in plaats daarvan ter griffie gedeponeerd. Volgens [verweerster] was dat omdat de omvang daarvan zodanig was dat een en ander niet aan de dagvaarding kon worden gehecht, maar dat wordt door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwist, omdat blijkens de akte depot slechts een tweetal mappen ter griffie is gedeponeerd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben er op gewezen dat zij zonder bestudering van de beweerdelijk gedetailleerde werktekeningen en schetsontwerpen de gestelde voorbereidende werkzaamheden en de omvang daarvan niet kunnen beoordelen. Bijgevolg kunnen zij ook de vordering van [verweerster] niet beoordelen. Aangezien [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in het buitenland wonen en werken, zijn zij echter niet in staat om de gedeponeerde stukken zelf, met hun raadsman, in te zien en zo nodig te laten beoordelen door deskundigen. Het inzien van de stukken door enkel hun raadsman is naar hun verwachting onvoldoende om behoorlijk verweer te kunnen voeren.

3.2.
Toewijzing van een voorlopige voorziening, zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] primair hebben gevorderd, is echter alleen mogelijk wanneer zij gericht is op een voorziening die voor de duur van de bodemprocedure kan worden gegeven. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Een bevel tot afgifte van stukken is immers een procedurele bewijsmaatregel, die naar haar aard een definitief karakter heeft en daarom niet kan gelden voor alleen de duur van het geding. Om die reden moet de primaire vordering worden afgewezen. Ook de subsidiaire vordering moet worden afgewezen, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet zozeer lijken te beogen een afschrift van de gedeponeerde stukken te verkrijgen, als bedoeld in artikel 843a Rv, maar [verweerster] ertoe willen bewegen haar stellingen te onderbouwen en/of daarvan reeds bewijs te leveren. Daarvoor is in dit incident echter geen plaats.

3.4.
In dat verband is van belang dat de gedeponeerde stukken wel in depot zijn geaccepteerd, maar dat zij naar het oordeel van de rechtbank daarmee nog geen onderdeel uitmaken van het procesdossier. Bij stukken, die ook als producties in het geding kunnen worden gebracht, is depot immers bedoeld om inzage in de originelen te kunnen verkrijgen. Dat is in deze zaak niet aan de orde, zodat het depot oneigenlijk wordt gebruikt. Daarbij komt dat de rechtbank [verweerster] ook niet kan volgen in haar stelling, dat de omvang van de ter griffie gedeponeerde stukken zich zou verzetten tegen overlegging daarvan als productie. Voor deponering bestaat derhalve ook om die reden geen goede grond. Dat klemt, daar [verweerster] bekend is met de woon- en werksituatie van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de gedetailleerde werktekeningen en schetsontwerpen waarop [verweerster] zich beroept, reeds kennen.

3.5.
Als [verweerster] zich op de gedeponeerde stukken wil beroepen, zal ze deze daarom op de reguliere wijze in het geding moeten brengen. De rechtbank geeft [verweerster] daarbij in overweging de stukken, ter vermijding van latere vertraging, reeds nu aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te doen toekomen, vóórdat de conclusie van antwoord in de hoofdzaak zal worden genomen. Ook overweegt de rechtbank nog dat zij ingevolge artikel 85 lid 4 Rv consequenties kan verbinden aan het niet tijdig in het geding brengen van stukken waarop een beroep is gedaan.