Auteursrecht  

IEF 11200

Piratenpartij mag uitgaan van letterlijke lezing ex parte

Beschikking Vzr. Rechtbank 's-Gravenhage 17 april 2012, LJN BW3596, KG RK 12-815 (de vereniging Piratenpartij tegen Stichting BREIN)

Uitspraak mede ingezonden door Mark Krul, WiseMen Advocaten.

In navolging van de ex parte beschikking van 13 april j.l., zie IEF 11191. Een bijzonder snelle procedure, zoals de feiten dat illustreren binnen één dag afgerond: Om 10:00 is het verzoek door de Piratenpartij gedaan, om 15:00 heeft stichting BREIN gereageerd en om 19:00 is de uitspraak per email toegezonden.

Dit executiegeschil ziet kort gezegd op de reikwijdte van het hierboven weergegeven verbod. Volgens Brein heeft dit de strekking ieder verwijzing naar de website van The Pirate Bay onmogelijk te maken ook indien de verwijzing geschiedt via een ander domein dan het subdomein tpb.piratenpartij.nl. Piratenpartij betwist deze uitleg. Zij stelt aan het verbod te hebben voldaan doordat zij haar reverse proxy dienst heeft gestaakt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de Piratenpartij, omdat zij niet aan enig debat heeft kunnen deelnemen om de reikwijdte van het verbod helder te hebben, uit mag gaan van een letterlijke lezing van het ex parte verbod. Bij die stand van zaken dient Brein de executie van het gegeven verbod te staken voor zover dat verder gaat dan het doen staken van de reverse proxydienst.

In citaten:

4.2. Bij de beoordeling is in aanmerking te nemen dat het verbod is gegeven na een ex parte behandeling. Met ander woorden Piratenpartij is niet gehoord en heeft niet aan enig debat kunnen deelnemen welke de reikwijdte van het verbod zou kunnen verduidelijken.
4.3. Naar voorlopig oordeel brengt dat mee dat Piratenpartij mag uitgaan van een letterlijke lezing van het verbod. Dit brengt mee dat zij mocht begrijpen aan het verbod te hebben voldaan door de verwijzing naar de site van The Pirate Bay, via haar reverse proxy dienst, dat wil zeggen via het subdomein tpb.piratenpartij.nl, te hebben gestaakt.
4.4. Bij die stand van zaken dient Brein de executie van het gegeven verbod te staken voor zover dat verder gaat dan het doen staken van de reverse proxydienst.

De voorzieningenrechter:
Beveelt gerekwestreerde (Brein) de executie van het gegeven verbod met onmiddellijke ingang te staken voor zover dat verder gaat dan het doen staken van de reverse proxydienst; Verklaart dit gebod uitvoerbaar bij voorraad;
Verwijst de zaak naar de zitting van 24 april 2012, 14.00 voor verdere behandeling; Bepaalt dat deze beslissing vervalt nadat uitspraak zal zijn gedaan in het aanhangige executiegeschil;
Houdt elke verdere beslissing aan.

Lees het vonnis hier (KG RK 12-815, LJN BW3596).

Op andere blogs:
3voor12 (Rechter fluit BREIN terug in zaak tegen Piratenpartij)
Bits of Freedom (Voor Brein zijn straks alle internetters verdacht)
Fok.nl (Rechter fluit BREIN terug)
IusMentis (Ex parte verboden moeten echt gewoon kapodt)
Stichting BREIN (updates onderaan)
vereniging Piratenpartij (Piratenpartij wint voorlopige voorziening)

IEF 11192

Kroniek van de Intellectuele Eigendom 2011

D.J.G. Visser 'Kroniek van de Intellectuele Eigendom', NJB 13 april 2012, afl. 15 p. 1041-1049.

Filteren, blokkeren en afsluiten. Uploaden en downloaden. Afvullen, navullen en hervullen. Tablet-computers, bh’s met extra bandjes en altijd weer die spijkerbroeken en die kinderstoelen. Sleutelwoorden, kleuterfoto’s, flippo’s en de geïnformeerde gebruiker. Het merkenrecht is al volledig Europees. Het auteursrecht zit in een Europese stroomversnelling. Het modellenrecht kreeg zijn eerste uitspraken van het Europese Hof. In het octrooirecht discussieert men over de vestigingsplaats van een gemeenschappelijk octrooigerecht en over eerlijk, redelijk en niet-discriminerend licentiëren. De geschriftenbescherming lijkt nu echt verleden tijd.

Lees de gehele publicatie hier (directe pdf-link).

IEF 11197

Niet volgens de eisen van de Bekendmakingswet

CBB 3 april 2012, LJN BW2472 (A B.V. tegen Minister van EZ, Landbouw en Innovatie)
CBB 3 april 2012, LJN BW2469 (A B.V. tegen Minister van  EZ, Landbouw en Innovatie)

Auteursrecht en NEN-Normen (eerder in deze serie). Op die normen rust auteursrecht en het is niet meer dan redelijk dat de rechthebbende hiervoor een vergoeding vraagt. Aangezien de norm niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en deze daarom niet volgens de eisen van de Bekendmakingswet bekend hoeven worden gemaakt, volgt verweerder niet appellantes standpunt dat de verwijzing in de Uitvoeringsregeling naar deze norm niet rechtsgeldig is. Het arrest van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage (LJN BO4175), hoewel op het daartegen ingestelde cassatieberoep nog niet is beslist, onderstreept het standpunt van verweerder. [IEF 11135]

Dat in een algemeen verbindend voorschrift wordt verwezen naar een NEN-norm, betekent naar het oordeel van het College niet dat die NEN-norm zelf een algemeen verbindend voorschrift vormt in de zin van artikel 89, vierde lid, Grondwet. Dit betekent dat artikel 89 Grondwet en de Bekendmakingswet niet van toepassing zijn op de bekendmaking van de  in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling opgenomen NEN-norm.

5.2.1    Het College stelt vast dat uit artikel 3:42, tweede lid, Wet IB 2001 volgt dat de Uitvoeringsregeling, waarin de energie-investeringen als bedoeld in deze bepaling worden aangewezen en (in Bijlage I) omschreven, een ministeriële regeling is en derhalve als een algemeen verbindend voorschrift in de zin van artikel 89, vierde lid, Grondwet kan worden aangemerkt. Voorts constateert het College dat in artikel 1, onder A, aanhef en sub 1.2.B, van Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling voor de wijze van berekenen van de COP van een warmtepomp wordt verwezen naar NEN-EN 14511.

Dat in een algemeen verbindend voorschrift wordt verwezen naar een NEN-norm, betekent naar het oordeel van het College niet dat die NEN-norm zelf een algemeen verbindend voorschrift vormt in de zin van artikel 89, vierde lid, Grondwet. Uit de Memorie van Toelichting bij de Bekendmakingswet (zie Kamerstukken II, 1985/1986, 19 583, nr. 3)kan immers worden afgeleid dat de wetgever voor ogen stond dat algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in artikel 89, vierde lid, Grondwet naar buiten werkende, de burgers bindende regels zijn, die uitgaan van een orgaan dat de bevoegdheid daartoe aan de wet in formele zin ontleent, en ook dat door een verwijzing in algemeen verbindende voorschriften naar een ander stuk, zoals bijvoorbeeld normen van particuliere normalisatie-instituten, dat betreffende stuk op zichzelf niet een vanwege het Rijk vastgesteld algemeen verbindend voorschrift wordt.

Het College overweegt voorts dat NEN-normen, waaronder ook NEN-EN 14511, worden vastgesteld door een privaatrechtelijke organisatie, te weten de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut (hierna: NNI). Het College heeft in de regelgeving betreffende de energie-investeringsaftrek noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat met de verwijzing naar de in (Bijlage I bij) de Uitvoeringsregeling opgenomen norm NEN-EN 14511 is beoogdhet NNI in dit geval aan te wijzen als orgaan dat bevoegd is tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, dan wel de vaststelling door het NNI van die norm te laten plaatsvinden vanwege het Rijk.

Het College is derhalve van oordeel dat de norm NEN-EN 14511, waarnaar wordt verwezen in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling, niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift in de zin van artikel 89, vierde lid, Grondwet.

Dit betekent dat artikel 89 Grondwet en de Bekendmakingswet niet van toepassing zijn op de bekendmaking van de in Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling opgenomen norm NEN-EN 14511. Dit oordeel sluit aan bij de overwegingen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie de uitspraak van 2 februari 2011, www.rechtspraak.nl, LJN: BP2750) en het Gerechtshof’s-Gravenhage (zie eerdergenoemd arrest van 16 november 2010).

IEF 11196

SEKAM en VEVAM sluiten akkoord over splitsing

Uit't persbericht: De collectieve beheerorganisaties SEKAM en VEVAM hebben overeenstemming bereikt over volledige splitsing van beide organisaties en beëindiging van samenwerking binnen het Servicebureau Filmrechten. SEKAM behartigt de auteursrechtelijke belangen van onafhankelijke film en televisieproducenten, en VEVAM behartigt auteursrechtelijke belangen van regisseurs.

Beide organisaties kennen een lange historie van nauwe samenwerking. VEVAM vertegenwoordigde oorspronkelijk niet alleen de regisseurs maar ook de producenten en de scenaristen van film en televisiewerken.

Eind 2009 kwamen beide partijen al overeen dat SEKAM de vertegenwoordiging van de producenten overnam en VEVAM werd omgevormd tot een regisseursorganisatie met ingang van 1 april 2010. Het akkoord dat nu is gesloten en 16 april 2012 zijn beslag zal krijgen, leidt er toe dat ook de financiële banden tussen beide organisaties definitief zijn gesplitst.

Het van oudsher gezamenlijke Servicebureau Filmrechten komt in handen van SEKAM en zal zich voortaan uitsluitend bezighouden met de incasso en verdeling van auteursrechtelijke vergoedingen voor de Nederlandse producenten.

Om de splitsing voor de aangeslotenen en leden zo goed mogelijk te begeleiden zijn het Servicebureau Filmrechten (020-3303663) en VEVAM (020-6248844) beschikbaar voor het beantwoorden van vragen

IEF 11195

Een heimelijke opname maken is geen creatieve keuze

Vzr. Rechtbank Amsterdam 14 april 2012, LJN BW2460 (eisers tegen SBS Broadcasting/Endemol)

illustratie gelinkt peterrdevries.nl

Geen auteursrecht op heimelijke opnamen omdat het creatieve keuze ontbeert. Een eigenaar van een escortbedrijf wilde een concurrent laten vermoorden en heeft hierover gesprekken gevoerd met Eiser II. Die heeft daarvan met een verborgen camera opnamen gemaakt en deze getoond aan SBS c.s. Eisers zijn door de politie aangehouden, waarbij de USB-stick met de opnamen in eerste instantie op het kantoor van SBS c.s. is achtergebleven. SBS c.s. heeft die opnamen gekopieerd en wil deze uitzenden. Eisers verzetten zich hiertegen op grond van hun auteursrecht en hun eigendomsrecht. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een auteursrecht, maar dat wel sprake is van een eigendomsrecht op de USB-stick.

Een journalist mag in beginsel geen gestolen informatie gebruiken en het algemeen belang rechtvaardigt dat in dit geval ook niet. De door Eiser II gemaakte camerabeelden mogen niet worden vertoond, tenzij deze daartoe alsnog toestemming geeft. Wat de van eisers door SBS gemaakte beelden betreft geldt dat het uitgangspunt is dat het gebruik van verborgen opnameapparatuur alleen in bijzondere omstandigheden toelaatbaar is. Het gaat bij de opnamen van de contacten tussen SBS enerzijds over de huurmoord, anderzijds over de mogelijke verkoop van de beelden van de gesprekken daarover. Voor zover over de huurmoord wordt gesproken mogen alleen de stemmen van eisers hoorbaar zijn. Voor zover het gaat om de verkoop van de door hen gemaakte opnamen aan SBS is dat een misstand die niet ernstig genoeg is om het uitzenden van de door SBS met verborgen camera gemaakte beelden te rechtvaardigen.

Vergelijkingstip: Endstra tapes

4.6.  Eiser II heeft aangevoerd dat hij het idee heeft gehad om heimelijke opnamen te maken en dat hij dat heeft uitgevoerd door de daarvoor benodigde apparatuur op de juiste wijze aan te brengen en te bedienen. Dat bedienen hield in dat hij de apparatuur heeft ingeschakeld alvorens hij het gebouw waar de bespreking plaatsvond binnenging. Verder diende hij er voor te zorgen dat hij de apparatuur voldoende gericht hield op zijn gesprekspartner door zijn lichaam in een daarvoor juiste positie te houden. De vraag is of de opname tegen die achtergrond kan worden gezien als een auteursrechtelijk beschermd werk in de voormelde zin.

4.7.  Het idee om van een bepaald gesprek een heimelijke opname te maken is wel een keuze, maar geen creatieve keuze. Een creatieve keuze houdt in dat een werk op verschillende manieren vorm gegeven kan worden en dat uit die verschillende mogelijkheden een keuze wordt gemaakt. Daarom is ook het aanzetten van de opnameapparatuur geen creatieve keuze, omdat dat maar op één manier kan. Wat het richten van de opnameapparatuur op de gesprekspartner betreft is de voorzieningenrechter van oordeel dat het welslagen van de opname weliswaar enige behendigheid vereist van degene die de opnameapparatuur draagt, maar dat dat nog niet als creatieve keuze kan worden aangemerkt.

4.8.  Nu wegens het ontbreken van creatieve keuzes van een auteursrechtelijk werk zoals bedoeld onder 4.5 geen sprake is, kan noch het maken van een kopie van de op de USB-stick van Eiser II, noch de openbaarmaking daarvan een inbreuk maken op een auteursrecht opleveren.

Peterrdevries.nl (Rechter verbiedt gebruik verborgen beelden)
En meer over de Endstra tapes
Hoger beroep is aangekondigd: Het Parool
SOLV (Rechter verbiedt delen uitzending Peter R. de Vries)

IEF 11191

Ook piratenpartij moet ter beschikking stellen The Pirate Bay staken

Ex parte beschikking 13 april 2012, KG RK 12-815 (Stichting BREIN tegen Piratenpartij)

Beschikking ingezonden door Stichting BREIN.

Uit't persbericht: De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag beschikte vandaag op verzoek van auteursrechtbeschermer stichting BREIN dat de vereniging Piratenpartij binnen 6 uur na betekening het ter beschikking stellen van de website The Pirate Bay moet staken en gestaakt houden. Zij doet dat met een zogeheten reverse proxy. De opgelegde dwangsom is EUR 10.000 per dag(deel) tot een maximum van 1 miljoen. BREIN heeft de beschikking vandaag door de deurwaarder laten betekenen. De Piratenpartij had een verweerschrift ingediend tegen het verzoek (een zogenoemde"grijsmakingsbrief"). Eerder [red. IEF 11157] verkreeg BREIN al een ex-parte beschikking tegen een andere aanbieder van een reverse proxy naar The Pirate Bay.

Lees het gehele persbericht hier.

Dictum:

3.1. De voorzieningenrechter beveelt gerekwestreerde binnen zes uur na betekening van deze beschikking de dienst (...) te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder het ter beschikking stellen van de website van The Pirate Bay (thepiratebay.se) via het subdomein tbp.piratenpartij.nl, te staken en gestaakt te houden.

3.2. De voorzieningenrechter bepaalt dat betekening van deze beschikking niet later zal plaatsvinden dan maandag 16 april 2012.

Voor het hierop volgende executiegeschil (binnen één dag) zie IEF 11200.

IEF 11188

Bekrachtiging lijst van"probleemvluchten"

Hof Arnhem 10 april 2012, LJN BW2994 (Transavia Airlines C.V. tegen EUClaim B.V.)

Uitspraak ingezonden door Milica Antic, SOLV.

In navolging van RB 1135. In een kort geding tussen luchtvaartmaatschappij Transavia en EUclaim biedt diensten en verkoopt documenten aan waarmee passagiers claims kunnen indienen op grond van EU en nationale wet- en regelgeving, inzake misleiding en onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter oordeelt dat EUclaim niet misleidt of onrechtmatig handelt en wijst de vorderingen af. In hoger beroep bekrachtigt het hof het tussen partijen gewezen vonnis.

3.17. EUclaim vermeldt nergens op haar website dat de vluchten op de lijst van Transavia-vluchten gegarandeerd recht op compensatie geven. De mededeling dat deze vluchten "volgens EUclaim voldoen aan de EG verorderdening 261/2004" is in dit opzicht niet misleidend. Blijkens de woorden "volgens EUclaim" gaat het om de visie van EUclaim zelf, terwijl de mededeling dat de bewuste vluchten aan de Verordening "voldoen" aldus is te verstaan dat zij beantwoorden aan het in de Verordening besloten liggende criterium dat zij zijn geannuleerd of minimaal drie uur zijn vertraagd. Daarmee vallen die vluchten onder het werkingsbereik van de Verordening en geven zij in beginsel -behoudens het geval dat door de luchtvaartmaatschappij wordt aangetoond dat van buitengewone omstandigheden sprake is- recht op compensatie. Om dezelfde reden is ook het gebruik van het woord "probleemvluchten" niet misleidend (welk woord op de aangepaste website overigens niet meer voorkomt).

3.18. De naast de lijst van Transavia-vluchten geplaatste tekst dat "(d)eze vluchten zijn gecontroleerd op overmachtssituaties" is op zichzelf geschikt om een verkeerd beel op te roepen. De overige informatie op de website corrigeert dit beeld echter in voldoende mate. De navolgende teksten op de site maken de passagier die overweegt een claim in te dienen, voldoende duidelijk dat de door EUclaim toegepaste controle op overmacht geen 100% zekerheid geeft en dat compensatie niet zonder meer gegarandeerd is.

3.23. Voor zover Transavia wil betogen dat EUclaim tevens misleidt door op haar website te verzwijgen dat diverse kantonrechters de claimprocedures tegen de luchtvaartmaatschappijen momenteel aanhouden in afwachting van uitspraken van hogerhand over de rechtsgeldigheid van het Sturgeon-arrest, wordt ook dit betoog gepasseerd. EUclaim kan niet worden verweten zich bij de aanbieding van haar diensten te baseren op de uitleg die het HvJ EU in het Sturgeon-arrest aan de Verordening heeft gegeven. Weliswaar is discussie ontstaan over de verenigbaarheid van dit arrest van het EU-recht en het Verdrag van Montreal en zijn in dit kader prejudiciële vragen aan het HvJ EU voorgelegd, maar tot op heden is het Sturgeon-arrest leidend. Van de passagier noch van degene die hem bijstaat mag worden verwacht het indienen van een claim uit te stellen totdat omtrent dit juridisch dispuut uitsluitsel zal zijn verkregen.

Lees het arrest hier (grosse zaaknr. 200.097.503, LJN BW2994)

IEF 11187

Handhaving van auteursrechten is essentieel voor muziekcultuur

M. de Vries, ‘Handhaving van auteursrechten is essentieel voor muziekcultuur’, IE-Forum nr. 11187.

Een bijdrage in de eerdere discussie op IE-Forum: hier.

“Auteursrechten, de inkomsten van auteurs die daaruit voortvloeien en een gezonde en diverse muziekcultuur hangen nauw met elkaar samen. Om een creatieve bijdrage te kunnen leveren aan die cultuur is het noodzakelijk dat componisten en tekstdichters hun auteursrechten kunnen verzilveren. Een goede bescherming van auteursrechten kan uitsluitend bestaan wanneer er een beschermingssysteem bestaat waarin de voornoemde elementen aanwezig zijn. Daarom is een totaalbenadering in de bescherming en handhaving van auteursrechten essentieel voor het behoud van de culturele diversiteit.”

‘Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.’ Zo luidt artikel 1 van de Auteurswet. Artikel 1 vormt de basis voor het auteursrecht dat componisten, schrijvers van liedteksten, en uitgevers hebben.

 

Door het auteursrecht kunnen auteurs hun muziek verkopen, daarmee krijgen auteurs geld voor het componeren en schrijven van muziek. Het is essentieel voor het behoud en de ontwikkeling van de Nederlandse en Europese culturele diversiteit dat auteurs geld kunnen verdienen met muziek componeren en schrijven. Daardoor kunnen auteurs steeds maar weer nieuwe liedjes maken waar wij dan met z’n allen naar kunnen luisteren. Het is dus belangrijk voor het behoud van de diversiteit in de muziek dat het auteursrechtensysteem wordt gehandhaafd waarmee de inkomsten van auteurs worden geborgd.

Door de innovatie in geluidsdragers en de onbegrensde mogelijkheden welke het internet ons lijkt te bieden voor het online verspreiden van muziek, blijft het vraagstuk actueel hoe de exploitatie en handhaving van auteursrechten zo effectief mogelijk georganiseerd kan worden. In de afgelopen decennia heeft het ‘auteursrecht’ zich een zeer flexibel en toepasbaar recht getoond. Gesteld kan worden dat ondanks de technologische ontwikkelingen het auteursrecht de tand des tijds met glans heeft doorstaan. Het auteursrecht heeft met name zijn waarde en legitimiteit bewezen door de techniek onafhankelijke  toepasbaarheid ervan.  Dat wil zeggen dat ondanks de wijze waarop muziek aan het publiek ter beschikking wordt gesteld, per cd, dvd, ‘streaming’ of download, het auteursrecht van componisten en tekstschrijvers gehandhaafd is gebleven. Auteurs en rechthebbenden zijn nog steeds in staat om op basis van artikel 1 van de Auteurswet inkomsten uit hun werken te genereren, opdat zij met het componeren en schrijven van muziek een bijdrage kunnen leveren aan het culturele erfgoed.

Sinds 1913 behartigt Buma/Stemra de collectieve belangen van de bij haar aangesloten muziekauteurs, tekstdichters en muziekuitgevers. Buma/Stemra doet dat door toepassing van een innovatief en ‘high tech’ systeem waarmee voor muziekgebruik ten behoeve van haar auteurs, tekstdichters en uitgevers geld wordt geïnd. Zo kunnen auteurs zich toewijden aan het maken van muziek terwijl Buma/Stemra zorgdraagt voor de exploitatie. Een dergelijk systeem wordt overal ter wereld toegepast. Auteursrechten van muziekmakers en tekstschrijvers worden overal ter wereld collectief gehandhaafd en beheerd door specifiek voor dat doel opgerichte organisaties. De kracht van een dergelijk collectief systeem is dat tegen relatief lage kosten de auteursrechten kunnen worden geëxploiteerd voor de auteurs. In die collectiviteit ontstaat een vaste waarde voor muziek. Dit zorgt voor een eerlijke vergoeding voor auteurs en uitgevers voor het gebruik van hun muziek.

Om de auteursrechten van de auteurs goed te kunnen beschermen is het noodzakelijk dat een actief handhavingsbeleid wordt gevoerd.  Het kan niet zo zijn dat muziekgebruikers muziek uit illegale bron kunnen downloaden zonder dat de makers van de muziek daarvoor geld ontvangen. Wanneer ik bijvoorbeeld een drankje bestel in een café en deze gebruik, word ik geacht daarvoor te betalen. Waarom zou het voor het muziekgebruik anders zijn? Het verschil in beide producten is natuurlijk evident. Voor het drankje geldt bijvoorbeeld dat het als vast product niet via de digitale lijnen van het internet gedistribueerd kan worden, bij muziek kan dat wel. Daarom geldt voor muziek, anders dan voor vaste producten, dat een vrij laagdrempelige manier bestaat om muziek gratis op internet aan te bieden, zonder dat daarvoor toestemming is gegeven door de rechthebbenden. Een additioneel probleem daarbij is dat het voor de consument verwarrend is of bij downloaden sprake is van illegaal of legaal aangeboden content. De visie van de Nederlandse rechter en de overheid op het downloaden van gegevens uit illegale bron werkt hieraan helaas niet mee. Gesteld kan worden, nu de onrechtmatigheid van downloaden uit illegale bron nog niet kan worden vastgesteld, dat in ieder geval de onrechtvaardigheid ervan zonder verdere uitleg duidelijk is. Daarmee wordt bedoeld dat het gratis verkrijgen van muziek zonder dat de maker daarvoor geld ontvangt als onrechtvaardig kan worden aangemerkt. Deze onrechtvaardigheid lijkt te worden opgeheven door te schermen met de thuiskopieheffing. Een dergelijke heffing op geluidsdragers alleen lijkt nog het meest op een extra belasting op auto’s voor de keren dat door rood gereden wordt, terwijl het natuurlijk in het belang van de goede rechtsorde is om niet door rood te rijden. Om de auteursrecht van componisten en tekstdichters efficiënt en effectief te kunnen beschermen horen de heffing op geluidsdragers en een wettelijk verbod op het downloaden van illegale content naast elkaar te bestaan. Op dit moment bestaan geen Europa brede afspraken over het downloaden van muziek, afkomstig uit illegale bron.

Europa / ACTA

Gelukkig wordt het belang van auteursrechten en een goed functionerend handhavingssysteem voor het belang van de Europese interne markt door de Europese Commissie onderschreven. Inzake de ontwikkeling van de digitale markt is een proces gaande waarin de Europese Commissie voorstellen indient voor een Europees systeem voor het licentiëren van auteursrechten, voor een kaderrichtlijn voor collectief beheer en voor een herziening van de richtlijn handhaving Intellectuele Eigendomsrechten. Dergelijke Europese initiatieven zijn er op gericht om de internationale exploitatie en bescherming van auteursrechten efficiënter en effectiever te maken.

Een degelijk Europees systeem ziet zowel op het beschermen van de auteursrechten als op het creëren van kansen voor culturele ontwikkeling. Met deze initiatieven wordt het belang van vertrouwen in het auteursrecht en een goed handhaafbaar systeem nog meer bevestigd. Dat het inrichten van een dergelijk systeem niet zonder horten of stoten gaat moge duidelijk zijn. Ter illustratie van dat grillige proces kan bijvoorbeeld de totstandkoming van het ACTA verdrag worden genoemd.

Het ‘Anti Counterfeiting Trade Agreement (ACTA)’ verdrag is het verdrag dat valt onder de zogenaamde ‘vrije handelsovereenkomsten’; de overeenkomsten die de EU sluit met staten die geen lid zijn van de Europese Unie. Het ACTA verdrag voorziet in de civiele en strafrechtelijke handhaving van de intellectueel eigendomsrechten, waaronder het auteursrecht. Uit het verdrag volgt expliciet dat civielrechtelijke en strafrechtelijke procedures van toepassing zijn op digitale inbreuken op IE rechten. Of het ACTA Verdrag er uiteindelijk zal komen hangt af het Europees Parlement. Daar wordt de inhoud van het verdrag goed- of afgekeurd.

Jurisprudentie

Uit de navolgende greep uit de jurisprudentie blijkt dat het auteursrecht een modern en goed handhaafbaar recht is. Uit deze uitspraken blijkt duidelijk hoe de Nederlandse rechters ten voordele van de rechthebbenden oordelen over inbreuken op het auteursrecht. In de zaak van BREIN tegen Ziggo en XS4ALL oordeelde de Rechtbank in Den Haag[1] dat de twee internetproviders de toegang tot ‘The Pirate Bay’ moesten sluiten. De Rechtbank Amsterdam[2] oordeelde in het kort geding tussen Buma/Stemra en Target Media dat totdat de overeenkomst gesloten was aangaande het afdragen van rechten voor gebruik, Target Media geen beltonen online mocht aanbieden. In kort geding tussen Stemra en Chinaworld verbood de Rechtbank Haarlem[3] Chinaworld, om zogenaamde ‘rechtenvrije’ muziek’ aan te bieden aan Chinese restaurants, omdat de door ‘Chinaworld’ aangeboden muziek deel uitmaakt van het Stemra repertoire. In de procedure van Stemra tegen Putumayo oordeelde de Rechtbank Amsterdam[4] dat Putumayo het nog aan Stemra verschuldigde bedrag voor de mechanische reproductierechten moest betalen en dat zonder toestemming van Stemra geen beeld- en/of geluiddragers mogen worden verhandeld. De Rechtbank ’s-Hertogenbosch[5] oordeelde dat schoolvoorstellingen door leerlingen, muziek gespeeld tijdens schoolfeesten etc. niet onder de onderwijsexceptie vallen en verbood de in het geding betrokken scholen om muziekwerken behorende tot het Buma repertoire openbaar te maken, zonder toestemming van Buma. In de zaak tussen Buma en Van Rijswick verbood de Rechtbank Roermond[6] Van Rijswick om zonder voorafgaande toestemming van Buma evenementen te organiseren waarbij enig muziekwerk behorende tot het Buma repertoire ten gehore zal worden gebracht.

Met deze uitspraken wordt nog maar eens de goede handhaafbaarheid van auteursrechten in de online en offline omgeving nog eens bevestigd. Wie beweert dat handhaving op auteursrechten zinloos zou zijn, doet daarmee het auteursrecht onvoldoende recht. Gelet op de voornoemde jurisprudentie is handhaving goed mogelijk, en zinvol. 

Conclusie

Het is belangrijk om aan te geven dat handhaving alleen niet tot een effectief auteursrechtensysteem zou kunnen leiden. Er moet voortdurend een balans bestaan tussen het optreden tegen illegaal muziekaanbod aan de ene kant, en het faciliteren van legale innovatieve (online) initiatieven om muziek aan de andere kant. Met een dergelijk duaal model wordt een muziekmarkt gecreëerd waar aanbieden met toestemming wordt beloond en het aanbieden zonder toestemming, oftewel fraude wordt bestraft. Door de inspanningen van Buma/Stemra en BREIN[7] gezamenlijk worden de belangen van de auteurs vanuit beide invalshoeken behartigd. Uit de werkelijkheid van de praktijk blijkt dat rechterlijke uitspraken niet altijd leiden tot het gewenste resultaat. Daarmee wordt bedoeld dat het terugdringen van aanbieders die muziek aanbieden zonder toestemming van de auteur efficiënter kan. Dit heeft met name te maken met het illegale muziekaanbod op internet. Op dit moment ontbreekt nog een wereldwijde dan wel Europese standaard welke het online illegale aanbod van muziek verbiedt. Aan de effectiviteit van het huidige auteursrechtensysteem wordt dan ook voortdurend in nationaal en Europees verband gewerkt.

Auteursrechten vormen de  grondslag van het verdienmodel van componisten, tekstschrijvers en uitgevers daarmee vormen de auteursrechten de basis voor de muziekcultuur. Een dergelijke basis verdient het om beschermd te worden.

 



[1] Rechtbank 's-Gravenhage 11 januari 2012, LJN BV0549, IEF 10763.

[2] KGV Rechtbank Amsterdam 26 juli 2011, IEF 10127.

[3] KGV Rechtbank Haarlem 6 juni 2008, 145802 / KG ZA 08-244, IEF 11245 (Stemra/Chinaworld)..

[4] Rechtbank Amsterdam, 28 juli 2010, 442866 / HA ZE 09-3600, IEF 11246 (Stemra/Putamayo).

[5] Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 16 mei 2007, 137758 / HA ZA 06-272, IEF 4015

[6] Rechtbank Roermond, 3 november 2004, 60831 / HA ZA 04-298, IEF 11244 (Buma/Van Rijswick)

[7] Stichting BREIN (Bescherming Rechten Entertainment Industrie Nederland) bestrijdt Intellectueel Eigendomsfraude namens auteurs, uitvoerende kunstenaars, uitgevers, producenten en distributeurs van muziek, film, video, boeken, games en interactieve software. BREIN speurt naar on- en offline inbreuk en misbruik, neemt civiele actie en levert informatie en expertise voor strafrechtelijke actie door de autoriteiten.

Deze discussie is gestart naar aanleiding van een interview met professor Hugenholtz in het Amsterdams Balie Bulletin.

IEF 11186

Hof negeert ten onrechte gebruiksvoorwaarden website

Een bijdrage van Hendrik Struik, CMS Derks Star Busmann.

Wie zijn landgoed openstelt voor het publiek kan daarbij een aantal gebruiksvoorwaarden bedingen, en aan wandelaars die zich daar niet aan houden kan de toegang worden ontzegd, zonodig met behulp van de rechter. Dat het met het eigendomsrecht van onroerend goed zo werkt vinden we normaal.

Dat het met ‘Opengesteld Intellectueel Eigendom’ in beginsel net zo werkt wordt echter niet altijd als vanzelfsprekend ervaren. Zo hoeft volgens het Hof Arnhem de firma PR Aviation, die graag wil rondwandelen in de gegevensverzameling van Ryanair, zich niets aan te trekken van de aldaar geldende gebruiksvoorwaarden. Het gaat om Hof Arnhem 13 maart 2012, LJN BW0096 (PR Aviation / Ryanair Ltd.), zie ook IEF 11064.

 

De zaak gaat niet over het zg. sui generis databankenrecht maar over de auteursrechtelijke bescherming van gegevensverzamelingen. De vraag of de databank van Ryanair wel auteursrechtelijk beschermd is laat het hof trouwens liggen (r.o. 4.16) omdat het oordeelt dat, ook al zou er auteursrechtelijke bescherming zijn, de werkwijze van PR dan geoorloofd is op grond van art. 24a Auteurswet, dat de implementatie vormt van (deels) art. 6 en art. 15 van de Databanken Richtlijn (‘Db.Rl.’). Art. 24a lid 1 bepaalt dat niet als inbreuk wordt beschouwd de verveelvoudiging door de rechtmatige gebruiker van de databank welke “noodzakelijk is om toegang te verkrijgen tot en normaal gebruik te maken van” de databank.

Het hof geeft een uitvoerige onderbouwing van zijn oordeel dat PR inderdaad als rechtmatige gebruiker van de Ryanair-databank kan worden beschouwd (r.o. 4.19), en kwalificeert vervolgens in een paar korte overwegingen PR’s werkwijze als noodzakelijk voor toegang (r.o. 4.21) en als een normaal gebruik van Ryanair’s databank (r.o. 4.22). Bij deze drie beoordelingen wil het hof uitdrukkelijk geen gewicht toekennen aan de Gebruiksvoorwaarden die Ryanair voor haar website hanteert (en waarmee de websitegebruiker telkens middels een muisklik moet instemmen voordat hij een zoekvraag kan stellen), waarin uitdrukkelijk vermeld staat dat de website uitsluitend mag worden gebruikt voor particuliere en niet-commerciële doeleinden en dat het middels een geautomatiseerd systeem gegevens onttrekken voor commerciële doeleinden verboden is tenzij men daartoe een schriftelijke licentieovereenkomst met Ryanair heeft afgesloten (zie r.o. 3.3 en 3.4).

Bij deze beoordelingen valt op dat het hof bij zijn toepassing van art. 24a Aw niet doet aan richtlijnconforme interpretatie; men leest in het arrest althans niet dat het hof zich de vraag stelt of zijn interpretatie van art. 24a lid 1 Aw strookt met de bedoeling en strekking van de eraan ten grondslag liggende richtlijnbepaling art. 6 lid 1 Db.Rl.

Art 6 lid 1 Db.Rl. verwoordt in (voor zover hier van belang ) letterlijk dezelfde woorden als art. 24a lid 1 Aw de bevoegdheid voor de rechtmatige gebruiker tot het verrichten van de handelingen die noodzakelijk zijn om toegang te verkrijgen tot en normaal gebruik te maken van de databank. Wat onder dit ‘normaal gebruik’ moet worden verstaan, blijkt uit § 34 van de Considerans van de richtlijn. Daar wordt overwogen dat

…wanneer de rechthebbende erin heeft toegestemd een kopie van de databank aan een gebruiker ter beschikking te stellen, hetzij via een on line dienst, hetzij via een andere vorm van verspreiding, die rechtmatige gebruiker zich toegang moet kunnen verschaffen tot de databank en deze moet kunnen gebruiken in overeenstemming met de doeleinden en de gebruikswijzen die zijn vastgesteld in de licentieovereenkomst met de rechthebbende,...

Hieruit volgt dat de richtlijngever voor het bepalen van wat ‘normaal gebruik’ is, juist wèl van belang acht voor welke doeleinden en gebruikswijzen de rechthebbende toestemming (licentie) heeft willen geven.

Het hof verwerpt echter het beroep van Ryanair op haar beperkende gebruiksvoorwaarden (waarbij het hof er dus wel vanuitgaat dat die voorwaarden op zichzelf door de gebruiker zijn aanvaard).

Het hof schuift de relevantie van die voorwaarden drie keer terzijde:

  • in r.o. 4.19, waar het hof overweegt dat, om een achttal redenen, het handelen van PR in strijd met de gebruiksvoorwaarden van Ryanair niet afdoet aan haar status als ‘rechtmatige gebruiker’,
  • in r.o. 4.20, waar het hof oordeelt dat de beperkende gebruiksvoorwaarden op grond van art. 24a lid 3 Aw nietig zijn,
  • en in r.o. 4.22, waar het hof oordeelt dat het gebruik van PR valt onder “het eigenlijke doel” van het beschikbaar maken van de gegevens door Ryanair via haar website, wat ook nog wordt onderbouwd met de wat zoetsappige overweging dat PR aan Ryanair door haar gebruik van de gegevens ook klanten bezorgt.

Het hof heeft niet onderkend dat volgens de richtlijn voor het antwoord op de vraag Wat is ‘normaal gebruik’ van een publiekelijk beschikbare gegevensverzameling, primair maatgevend is welke doeleinden en gebruikswijzen de rechthebbende blijkens zijn licentiecontracten voor ogen heeft gehad. In zoverre spoort het ‘normaal gebruik’ voor databanken overigens met het ‘gebruik voor beoogde doel’ voor computerprogrammatuur; vgl. Softwarerichtlijn art. 5.1 en Struik/Van Schelven/Hoorneman, Softwarerecht, Deventer 2010,ww § 7.11.

Wanneer nu de publieke beschikbaarstelling steeds gebeurt onder de voorwaarde dat, kort gezegd, elk gebruik van de website in orde is zolang het niet geschiedt voor commerciële doelen, valt niet in te zien - althans legt het hof niet uit - waarom zo’n voorwaarde nietig zou zijn in de zin van art. 24a lid 3. Zo’n voorwaarde belet immers voor bezoekers de toegang en het gebruik van de databank niet.

Uit de logische samenhang tussen art. 6.1 en art. 15 Db.Rl. volgt, dat de nietigheidssanctie van art. 24a lid 3 alleen maar in beeld komt wanneer de rechthebbende middels zijn contractuele voorwaarden de toegestane handelingen zó beperkt zou formuleren dat wat er overblijft geen normaal gebruik van een databank kan heten.

Dat de richtlijngever het aan de auteursrechthebbende overlaat om – mits boven het ‘wettelijk minimum’ - middels toegangsvoorwaarden te bepalen wat voor soort gebruik hij de gebruikers van zijn publiek toegankelijke databank toestaat en daarbij het meerdere voor te behouden aan zijn toestemming (waaraan hij - uiteraard ook financiële - voorwaarden kan verbinden), is een bevoegdheid die mijns inziens in overeenstemming is met de specific subject matter van het auteursrecht en de daarvoor gegeven exploitatierechten.

Hendrik Struik

IEF 11185

Ondanks deze onevenwichtigheid

Kantonrechter Rechtbank Utrecht 11 april 2012, UC EXPLO 11-16505 (Dijkstra tegen Coconut Capital B.V.)

Foto ter illustratie NO-Brabant.hcc

Uitspraak ingezonden door Kitty van Boven, I-ee advocaten.

Auteursrecht. Proceskosten volledig vergoed ondanks dat deze niet in goede verhouding tot het toegewezen schadebedrag staan. Dijkstra is fotograaf en heeft een foto gemaakt van een parkeerplaats bij een bouwmarkt met een aantal pratende mensen, nagenoeg zonder auto's en op het toegangshek een papier met daarop de tekst ´wegens omstandigheden gesloten´. Deze foto is geplaatst bij een artikel/interview in de Telegraaf. Na publicatie is het door de geïnterviewde bestuurder van Coconut op haar website geplaatst.

3.2. (...) "Het feit dat Dijkstra van de Telegraaf een vergoeding heeft ontvangen voor de publicatie van zijn foto in die krant maakt niet dat Coconut Capital zonder toestemming van Dijkstra de foto heeft mogen (her)gebruiken"

Coconut Capital wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding ad (2x €255 =) €510 voor het gebruik van een foto van cliënt zonder toestemming. En eveneens tot het betalen van de volledige proceskosten (€76,31 dagvaardingskosten, €202,00 aan griffierechten en €2.661,62 salaris gemachtigde).

3.8 "Met Coconut Capital is de kantonrechter van oordeel dat deze gemaakte kosten niet in een goede verhouding staan tot het gevorderde (en toegewezen) schadebedrag van €510,00. Ondanks deze onevenwichtigheid, is er geen aanleiding om de proceskosten voor een lager bedrag toe te wijzen. Daarvoor is redengevens dat Coconut Capital er (mede) zelf de oorzaak van is dat de proceskosten zo hoog zijn opgelopen. In eerste instantie heeft zij namelijk niet op brieven/e-mails van de raadsvrouwe van Dijkstra gereageerd (zie 2.2.). Hierdoor zijn de kosten opgelopen. De kosten zijn vervolgens verder gestegen doordat Cocanut Capital bij de Kamer van Koophandel op een verkeerd adres stond ingeschreven waardoor de dagvaarding niet kon worden betekend. Daarna heeft Coconut Capital een schikkingsaanbod gedaan van €300,00. Mede met het oog op de door hem geleden schade en de inmiddels opgelopen kosten was dit aanbod niet zodanig dat Dijkstra dat in redelijkheid had moeten accepteren.