Octrooirecht  

IEF 8382

Trapezehaakinrichting

Octrooicentrum Nederland, 23 oktober 2009,  verzoeksters:  MBrands International B.V. en MBrands B.V.; octrooihoudster: Handelsonderneming Kubus B.V. (met dank aan Alex Ferguson, Octrooibureau Ferguson).

Octrooirecht.  Advies OCN ex artikel 76 ROW inzake NL octrooi m.b.t. een trapezehaakinrichting (zie eerder vonnis in KG van 15 juli 2009, IEF 8063) Beperkende werking van vóór verlening van het octrooi in de beschrijving opgenomen opmerking. Instemming van verzoeker bij de behandeling van een door de octrooihouder ingediend hulpverzoek niet langer vereist, wegens wijziging EOV:

“Octrooicentrum Nederland bevestigt dat in het verleden inderdaad de instemming van verzoeker bij de behandeling van een hulpverzoek werd vereist. Octrooicentrum Nederland heeft echter haar beleid in deze gewijzigd. Aanleiding voor deze wijziging was het in december 2007 van kracht worden van de herziening van het Europees Octrooiverdrag, het zogenaamde EPC 2000. Het nieuwe lid 3 van artikel 138 EOV bepaalt, analoog aan de rechtsgang in het kader van een Nederlandse gerechtelijke nietigheidsprocedure, dat een octrooihouder in een nietigheidsprocedure het recht heeft zijn octrooi te beperken middels gewijzigde conclusies.

“Deze wijziging van het EOV is voor Octrooicentrum Nederland de aanleiding geweest om de procedure inzake het nietigheidsadvies op dit punt nader te harmoniseren met de nieuwe  bepalingen van het EOV. Weliswaar zou de houder van een Rijksoctrooi zijn octrooi kunnen  beperken middels een akte van gedeeltelijke afstand, doch een verzoeker in een  adviesprocedurekan deze optie blokkeren als deze een nietigheidsactie heeft ingesteld, deze  ingeschreven is in het octrooiregister en verzoeker geen toestemming geeft voor het doen van gedeeltelijke afstand (zie de uitspraak van de Raad van State van 27 februari 2008, BIE 2008, nr. 17). Om ook in een dergelijk geval de houder van een Rijksoctrooi in de gelegenheid te stellen om een voorgenomen wijziging van het octrooi te laten beoordelen, is het derhalve beleid van Octrooicentrum Nederland geworden dat het iedere octrooihouder is toegestaan een daartoe strekkend hulpverzoek in een adviesprocedure in te brengen. Instemming van de verzoeker is daarbij niet meer vereist.”

Lees het advies hier.

IEF 8381

Inrichting voor het afschrapen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 25 november 2009, HA ZA 08-3488, Hauni Maschinenbau A.G. tegen Spikker Specials

Octrooirecht. EP ‘Inrichting voor het afschrapen van tabaksdeeltjes vanaf een transporteur’. Stukgelopen samenwerking. Gestelde inbreuk door schrapers gedaagde. Reconventionele nietigheidsvordering. Tussenvonnis met bewijsopdracht rechtsverwerking gedaagde. Eerst even voor jezelf lezen:

4.1. Gelet op de verweren tegen de conventionele inbreukvordering, die tevens de basis vormen voor de reconventione nietigheidseis, in combinatie met de omstandigheid dat deze nietigheidsvordering ter zitting afhankelijk is gemaakt van de vraag of Hauni haar recht heeft verwerkt om op grond van EP 136 tegen Spikker op te treden, acht de rechtbank het vooreerst van belang of Hauni ten tijde van het schrijven van de brief uit maart 1998 geciteerd in 2.8 wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat Spikker met vervangingsonderdelen op de markt was die onder de beschermingsomvang van het prioriteitsdocument en het alstoen binnen afzienbare tijd te verlenen octrooi vielen. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

(…)

4.10. Dat de visie van Spikker (rechtsverwerking vanwege deze "toezegging" van Hauni in combinatie met 9 jaar tijdsverloop) neer zou komen op "een blanco-licentie tegen 0- tarief" en alleen al op die grond niet aannemelijk zou zijn, zoals Hauni bij repliek bij pleidooi nog heeft gesteld, onderschrijft de rechtbank niet. Aan het hiervoor genoemde samenstel van feiten heeft in dat veronderstelde geval Spikker het vertrouwen kunnen ontlenen dat zij met haar schrapers gevrijwaard zou zijn van octrooirechtelijke aanspraken zijdens Hauni. Niet moet worden vergeten dat zij vervolgens ook daadwerkelijk 9 jaar ongemoeid is gelaten door Hauni. Dat tijdsverloop in combinatie met de aldus als erkenning van de afwezigheid van octrooirechtelijke aanspraken op te vatten feiten levert rechtsverwerking op. 

4.11. Voorwaarde daarvoor is evenwel dat Spikker, op wie de bewijslast ter zake rust, bewijst dat Hauni in maart 1998 toen zij de in 2.8 geciteerde fax schreef, wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat Spikker vervangingsonderdelen voerde die onder de beschermingsomvang zouden (gaan) vallen van EP 136 en/of van het Duitse prioriteitsdocument. Zij zal worden toegelaten dit te bewijzen – bijvoorbeeld middels stukken uit de periode van samenwerking tussen partijen en/of middels het horen van getuigen.

4.12. Eerst indien Spikker niet zou slagen in dit bewijs, faalt het beroep op rechtsverwerking en komt de rechtbank toe aan het geldigheidsverweer in conventie en de nietigheidsaanval in reconventie, in welk kader mogelijk een nadere bewijsopdracht zal volgen aangaande het gestelde openbaar toegankelijk zijn van het in 2.7 bedoelde TKD-Handbuch voor de Protos 100, dan wel het gestelde uitleveren of aanbieden van deze machines met de op p. 12 van deze handleiding bedoelde PKD-schrapers voorafgaand aan de prioriteitsdatum. Hetzelfde zal alsdan mogelijk opgaan ten aanzien van het ter zitting door Spikker gedane specifieke bewijsaanbod dat productie 13 van Hauni, een werktekening van G.D. uit december 1986 van een plaatje gesoldeerd met widia (wolfraamcarbide, een afkorting in het Duits voor (hard) "wie Diamant"), voorafgaand aan de prioriteitsdatum openbaar toegankelijk was.

Lees het vonnis hier.

IEF 8379

Kameratmosfeerconditioneereenheid

Rechtbank ’s-Gravenhage, 25 november 2009, HA ZA 08-1040, Van Holsteijn en Kemna Special Products B.V. (VHK) tegen J.E. Stork Ventilatoren B.V. (met dank aan Chantal Morel, Klos Morel Vos & Schaap).

Octrooirecht. Eerst even kort. EP eiser VHK m.b.t. ‘kameratmosfeerconditioneereenheid’. De ventilatie-eenheid van gedaagde Stork valt weliswaar onder de beschermingsomvang van het octrooi, maar nu het Nederlandse deel van het EP nietig is wegen gebrek aan nieuwheid, worden de vorderingen afgewezen. 1019h proceskosten: €75.702,88.

4.1 1 De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat in het Duett- systeem sprake is van een eenheid die een sandwichstructuur omvat van de eerste warmtewisselmiddelen, een laag isolatiemateriaal en de tweede warmtewisselmiddelen, zodat is voldaan aan deelkenmerk (h) van conclusie 1 van het octrooi. Door Stork is niet bestreden dat het Duett-systeem voldoet aan de overige deelkenmerken, zodat daarmee vaststaat dat het Duett-systeem valt onder de beschermingsomvang van conclusie 1 van EP 655.

(…)

4.19 De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de gemiddelde vakman aan de passage 'en waarbij de kameratmosfeerconditioneereenheid zowel de temperatuur als de luchtkwaliteit in de kamer kan besturen’ niet de betekenis zou toekennen dat besturing zo nodig gelijktijdig maar steeds onafhankelijk van elkaar plaatsvindt zoals door VPIK is beoogd. Niet bestreden is dat de in DE 196 geopenbaarde opstelling zowel de temperatuur als de luchtkwaliteit in de kamer kan besturen. Aldus komt de rechtbank tot de slotsom dat alle deelkenmerken van conclusie 1 van EP 655 reeds in DE 196 zijn geopenbaard, zodat deze conclusie nietig is wegens gebrek aan nieuwheid.

Lees het vonnis hier.

IEF 8376

Decided to close

Persbericht Europese Commissie: Geen verder onderzoek naar vermeend misbruik van een machtspositie door Qualcomm bij het licentiëren van haar octrooiportfolio: “The European Commission has decided to close formal antitrust proceedings against Qualcomm Incorporated, a US chipset manufacturer, concerning an alleged breach of EC Treaty rules on abuse of a dominant market position (Article 82). The investigation was opened on 1 st October 2007.

The Commission has investigated whether the royalties that Qualcomm has been charging since its patented technology became part of Europe's 3G standard are unreasonably high.The Commission committed time and resources to this investigation in order to assess a complex body of evidence, but has not as yet reached formal conclusions.

All complainants have now withdrawn or indicated their intention to withdraw their complaints, and the Commission has therefore to decide where best to focus its resources and priorities. In view of this, the Commission does not consider it appropriate to invest further resources in this case.”
 
Lees het volledige persbericht hier.

IEF 8374

Een viertal voor het Paleis van Justitie opgestelde rijtuigen

Rechtbank ‘s-Gravenhage, 20 november 2009, IEF 8374; KG ZA 09-1356, V. tegen Kelders (met dank aan Armand Killan, Bird & Bird)

Octrooirecht. NL octrooi voor een rijtuig. Eiser V. stelt dat gedaagden met het produceren en verhandelen van hun koetsen inbreuk maken op het octrooi van eiser. Vorderingen afgewezen. Niet te verwaarlozen kans op nietigheid wegens gebrek aan nieuwheid. Geen inventieve arbeid. Geen beperking. Geen wapperverbod. Wel  reconventionele rectificatie t.a.v. (potentiële) particuliere afnemers. Deel uren van octrooigemachtigde (“drafting”) valt niet onder 1019h proceskostenveroordeling.

4.20. Ter zitting heeft V. laten weten zijn octrooi desnoods te willen beperken tot een combinatie van conclusies 1,2,4 en 6. Kelder c.s. zouden volgens V. ook op een aldus aangepaste conclusie inbreuk maken. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat - gelet op hetgeen in r.o.4.17 reeds is overwogen - niet is in te zien dat, nu de maatregelen van conclusies 1,2, en 6 reeds geopenbaard zijn in het Baas-rijtuig, een combinatie met de maatregel van conclusie 4 nieuw en inventief zou zijn. Een dergelijke combinatie zal V. naar voorlopig oordeel dus niet kunnen baten.

4.23 De voorzieningenrechter stelt vast dat een deel van de uren die door de octrooigemachtigde zijn opgevoerd (met name de uren die als “drafting” in de specificatie zijn vermeld, voor in totaal EUR 7.322,-) niet als redelijke kosten aan deze procedure kunnen worden toegerekend, nu, ook gelet op de door de advocaten aan het opstellen van stukken bestede tijd, niet duidelijk is gemaakt en overigens ook niet valt in te zien hoe deze activiteit van de octrooigemachtigde heeft bijgedragen aan deze procedure. 

4.25  Kelders c.s. hebben wel recht en spoedeisend belang bij de door hen gevorderde rectificatie, voor zover het mededelingen van V aan particulieren over de vermeende octrooi-inbreuk en de daarmee samenhangende dreiging van beslaglegging betreft. V had niet het recht (potentiële) particuliere afnemers van Kelders c.s. te benaderen en hen voor te houden dat de KCS-koetsen inbreukmakende rijtuigen zouden zijn waarop hij beslag zou kunnen leggen.

IEF 8364

Ten gevolge van de handhavingshandelingen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 18 november 2009, HA ZA 08-418, ABK Kunststoffen B.V. & Transcare B.V. tegen Snoeks Automotive B.V. (met dank aan Klaas Bisschop, Lovells).

Octrooirecht. EP Snoeks m.b.t. een inbouwkit voor het creëren van achterbanken in bedrijfsauto’s. (voorafgaande procedures: KG en HB,bodemprocedure en hoger beroep en procedure bij EOB). Het Nederlandse deel van het octrooi van Snoeks is in 2005 de bodemprocedure door de rechtbank vernietigd (lees het vonnis hier) en in 2007 is het octrooi door de Technische Kamer van Beroep van het EOB integraal herroepen. Het onderhavige geschil betreft de schade die ABK en Transcare gesteld geleden hebben door de handhaving van Snoeks van haar octrooirechten. De vorderingen worden grotendeels afgewezen. Kort in citaten:

4.4. Dat vanwege het door Snoeks ingestelde appel onzekerheid bleef bestaan over het uiteindelijke oordeel over de geldigheid van het octrooi en de mogelijke inbreuk daarop door ABK en Transcare is geen omstandigheid waarvoor Snoeks aansprakelijk kan worden gehouden. Uitgangspunt is dat degene die zich beroept op haar bekomende intellectuele eigendomsrechten slechts onder bijzondere omstandigheden onrechtmatig zal handelen, bijvoorbeeld indien zij weet, dan wel dient te beseffen dat een serieuze niet te verwaarlozen kans bestaat dat deze rechten geen stand zullen houden in rechte. Denkbaar is in een dergelijke situatie dat het instellen van hoger beroep misbruik van recht zou opleveren. Daarvan was onder de gegeven omstandigheden echter geen sprake. Dat ABK en Transcare vanwege die onzekerheid uit eigen beweging hebben besloten niet reeds na 1 juni 2005 de markt te betreden met de bewuste framesystemen moet voor hun eigen rekening blijven. Ook het feit dat het beslag niet werd opgeheven leidt niet tot een ander oordeel, omdat ABK en Transcare vrij waren nieuwe framesystemen te (laten) produceren en deze te verhandelen.

4.7. Snoeks aanvaard dat zij verantwoordelijk kan worden gehouden indien en voor zover ABK en Transcare schade hebben geleden ten gevolge van de handhaving van haar octrooi. Snoeks bestrijdt evenwel dat ABK en Transcare de door hen gestelde schade daadwerkelijk hebben geleden ten gevolge van de handhavingshandelingen van Snoeks. (…)

(…)

4.22 De rechtbank ziet geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen voor het begroten van de schade die AB K en Transcare stellen te hebben geleden. Met uitzondering van de bewaarkosten, waarvan voldoende aannemelijk is gemaakt dat die zijn gemaakt, hebben ABK en Transcare onvoldoende gesubstantieerd gesteld dat zij schade  hebben geleden ten gevolge van de handhaving door Snoeks van het octrooi. Waar het bestaan van schade waarvoor Snoeks aansprakelijk kan worden gehouden onvoldoende aannemelijk is geworden, is geen plaats voor benoeming van een deskundige om de hoogte van die schade vast te stellen. (…)

4.2%. Op grond van het. voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat van de vorderingen van ABK alleen toewijsbaar is  de vergoeding voor de bewaarkosten van het gelegde beslag. De vorderingen van Transcare dienen in hun geheel te worden afgewezen.

4.24. Nu ABK en Trascare een gezamenlijke proceskostenveroordeling hebben verzocht en zij deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren in dier voege dat iedere partij haar eigen kosten zal hebben te dragen.

Lees het vonnis hier, of  hieronder:

 

IEF 8363

Na stellen prejudiciële vragen

Rechtbank ’s-Gravenhage, sector bestuursrecht, 4 november 2009, AWB 06/6520, LJN: BK2960, [A] Manufacturing B.V. tegen Octrooicentrum Nederland

Octrooirecht. Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddel (ABC). Uitleg artikel 3, aanhef en onder c van Verordening (EEG) 1768/92 (thans Verordening (EG) 469/2009) na stellen prejudiciële vragen. Deze bepaling verzet zich er niet tegen dat een ABC wordt verleend aan de houder van een basisoctrooi voor een product waarvoor op het moment van indiening van de aanvraag voor het certificaat reeds één of meer certificaten zijn verleend aan één of meer houders van één of meer andere basisoctrooihouders. Beroep gegrond. 

Lees het vonnis hier

IEF 8359

Wijzigingen van de Rijksoctrooiwet

Octrooirecht. Over het hoofd gezien: Aankomende inwerkingtreding van wijzigingen van de Rijksoctrooiwet 1995 en bijbehorend Rijksbesluit en Regeling per 1 april 2010 (met dank aan Rolf Suurmond, DeltaPatents

Per 1 april 2010 wijzigt de Rijksoctrooiwet 1995 en het bijbehorend Rijksbesluit en Ministeriële Regeling. Hierdoor vindt het Verdrag inzake octrooirecht (beter bekend als Patent Law Treaty) daadwerkelijk toepassing in Nederland en de Nederlandse Antillen. De wetswijziging heeft onder andere betrekking op de vereisten voor het verkrijgen van een indieningsdatum voor een octrooiaanvraag. Zo is het voor het verkrijgen van een indieningsdatum niet meer nodig om de aanvraag van een conclusie te voorzien. Verder is het voortaan mogelijk om een verzoek tot herstel in de vorige toestand in te dienen als de termijn voor het recht van voorrang niet in acht is genomen. Verder zijn gedetailleerde regelingen opgenomen met betrekking tot inschrijving in het register van wijzigingen van naam of adres van de aanvrager, wijziging van de persoon van de aanvrager, en licentie, pandrecht en beslag.
 
Zie voor de wijzigingen hier, hier en hier.

IEF 8343

Plantum-debat (octrooi- en kwekersrecht)

Ingezonden bericht: "Afgelopen week tijdens een drukbezochte bijeenkomst van de Nederlandse Chapter van de AIPPI in het nieuwe kantoor van De Brauw heeft er onder de voorzitterschap van Willem Hoyng een debat plaatsgehad over de stelling:
 
"De Rijksoctrooiwet dient gewijzigd te worden teneinde het veredelen van geoctrooieerde planten mogelijk te maken en door de Zaaizaad- en Plantgoedwet beschermde resultaten van die veredeling vrij te kunnen gebruiken.”

De aanleiding voor het debat was het onlangs aangekondigde voorstel van Plantum NL (de brancheorganisatie voor Nederlandse kwekers) om de Rijksoctrooiwet aan te passen door een brede "breeders's exemption" op te nemen. Het voorstel van Plantum houdt in dat plantenrassen die onder een octrooi vallen vrij te gebruiken moeten zijn in de veredeling, en tevens dat de nieuw ontwikkelde rassen die nog onder de beschermingsomvang van een octrooi vallen, vrij moeten kunnen worden gecommercialiseerd. Een persbericht van Plantum NL over het voorstel vindt u hier.
 
Plantum is uitgenodigd om deel te nemen aan het debat, maar wilde dat niet doen. Het standpunt van Plantum is tijdens de bijeenkomst door mr. P.A.C.E. van der Kooij (Universiteit Leiden) verdedigd. Simon Dack was tegen de stelling.
 
De powerpoint- presentaties van beide sprekers vindt u hier (Paul van de Kooij) en hier (Simon Dack)."

Naschrift: In aansluiting op het bovenstaande bericht laat Plantum NL weten dat dat Plantum NL niet betrokken was bij het debat en ook niet bij het debat aanwezig was, niet uit onwillendheid, maar omdat de organisatie de datum zonder goed overleg zou hebben vastgesteld. Plantum benadrukt dat Mr. Van der Kooij tijdens het debat het plantumstandpunt niet zou hebben verdedigd. De heer Van der Kooij zou weliswaar een voorstel hebben gedaan tot aanpassing van de Rijksoctrooiwet, maar naar analogie van de Franse en Duitse octrooiwet en niet conform het voorstel van Plantum NL, aldus Plantum NL.

IEF 8331

Grasextract

Rechtbank ’s-Gravenhage, sector bestuursrecht, uitspraak van 4 november 2009, AWB 08/9394, Stallergenes tegen Octrooicentrum Nederland

Octrooirecht. EP Galenische vormen van allergenen voor sublinguale toediening. Terechte weigering OCN op aanvraag ABC voor timotheegrasextract (Grazax). In citaten:

4.1. Aan het bestreden besluit is in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde, genoemd in artikel 3, aanhef en onder d, van de Verordening, omdat voor het product timotheegrasextract als geneesmiddel reeds eerder een handelsvergunning is verleend, te weten de vergunning voor het geneesmiddel Alutard SQ Timotheegras (hierna: Alutard), RVG 31987, die het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) op 14 juli 2005 heeft verleend.

4.2. Eiseres bestrijdt dat deze vergunning is te beschouwen als een eerdere handelsvergunning voor hetzelfde product. Zij stelt dat Alutard een samenstelling van werkzame stoffen bevat en dus een ander product in de zin van de Verordening is dan Grazax, dat slechts één werkzame stof bevat.

(…)

5.5. In het register van het CBG wordt alleen timotheegrasextract genoemd als werkzame stof van Alutard. Dit bevestigt dat in de handelsvergunning aluminiumhydroxide niet tot de werkzame stoffen is gerekend. Gezien de noodzakelijke samenhang van de Verordening met de geneesmiddelenwetgeving mocht verweerder zich aansluiten bij het CBG. Dat -naar eiseres stelt- de Franse autoriteiten aluminiumhydroxide wel als werkzame stof hebben aangemerkt doet daar niet aan af.

5.6. Gelet op het voorgaande is de door eiseres bij de aanvraag genoemde handelsvergunning niet de eerste vergunning voor het in de handel brengen van het product als geneesmiddel. Er wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder d, van de Verordening. Reeds hierom heeft verweerder terecht geweigerd aan eiseres een ABC te verlenen.

Lees de uitspraak hier of hieronder: