Octrooirecht  

IEF 8728

Zaksluitingen (HB)

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 30 maart 2010, zaaknr. 105.007.842/01, Kwik Lok Corporation tegen Schutte Bagclosures B.V. (met dank aan Wouter Pors, Bird & Bird).

Octrooirecht. Merkenrecht. Zaksluitingen. Tussenvonnis (voor eerste aanleg zie: Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 november 2007, IEF 5066). Het (inmiddels net geëxpireerde) octrooi op de Kwik Lok, zaksluiting blijft ook in hoger beroep overeind, maar de inbreukvordering wordt ook in hoger beroep afgewezen. Met betrekking tot de vorm- en woordmerken van eiser Kwik Lok oordeelt het hof dat de (beschrijvende) woordmerken alleen nog door nader te bewijzen inburgering gered kunnen worden. Het vormmerk is naar het oordeel van het hof uitsluitend technisch bepaald en derhalve terecht door de rechtbank nietig verklaard.

Lees het arrest hier.

IEF 8721

Om vrijelijk met derden te kunnen spreken

Centrale Raad van Beroep, 18 maart 2010, LJN: BL9083, Appellant tegen UWV

Octrooirecht, althans octrooirechtelijke activiteiten en herziening en terugvordering van een WW-uitkering:

4.6. Het aanwijzen van een moment waarop de hobbymatige activiteiten zijn overgegaan in werkzaamheden in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW dient zo mogelijk op basis van een objectief aan te wijzen tijdstip te geschieden. In dit geval merkt de Raad de aanvraag van het octrooi op 19 juli 2004 als zodanig tijdstip aan. Met de octrooi-aanvraag is appellant naar buiten getreden met zijn idee en heeft hij een activiteit ontplooid die verder gaat dan het hobbymatige. Appellant beoogde hiermee om vrijelijk met derden te kunnen spreken over zijn uitvinding zonder te hoeven vrezen dat anderen van zijn idee zouden profiteren. De mogelijke commerciële ontwikkeling hing daarom ook samen met dat octrooi. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant vanaf deze activiteit zijn werknemerschap heeft verloren. Dit brengt mee dat de herziening van de WW-uitkering eerst per 19 juli 2004 kon plaatsvinden. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

Lees het vonnis hier.

IEF 8705

Een onjuiste indruk krijgen

Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 15 januari 2010, KG RK 10-0055, Franz Grimme Landmaschinenfabrik tegen Steenvoorden

Octrooirecht. Onrechtmatige publicatie. Ex parte beschikking m.b.t. Europees octrooi aardappelscheidingsmachines. Misleidende informatie met betrekking tot een octrooiprocedure: gedaagde mag in Nederland niet zomaar ‘wapperen’ met Engels vonnis.

2.2. De voorzieningenrechter oordeelt dat voorshands voldoende aannemelijk is gemaakt dat Steenvoorden door het op haar website aanbieden van de in het verzoekschift onder 35 opgenomen informatie onrechtmatig handelt. De voorzieningenrechter volgt Grimme in haar stelling dat Steenvoorden dusdoende ten onrechte de indruk wekt dat Grimme zich op grond van haar octrooi niet (meer) kan verzetten tegen het produceren, verkopen en aanbieden van de Evolution Separator in Nederland, terwijl de bewuste procedure in Engeland heeft plaatsgevonden en de uitkomst ervan niet zonder meer bepalend is voor de situatie in Nederland of elders in Europa. De Engelse rechter heeft bovendien geoordeeld dat het octrooi ten dele in stand kan worden gelaten en dat bepaalde uitvoeringen van de Evolution Separator, waaronder – naar voorshands kan worden aangenomen – die door Steenvoorden op haar website worden aangeboden, direct of indirect inbreuk maken op dat – beperkte – octrooi. Daarmee is de informatie op de website misleidend. Omdat het voortduren van de huidige situatie Grimme schaadt in de uitoefening van haar octrooirechten – potentiële afnemers van Grimme kunnen immers door de informatie op de website van Steenvoorden een onjuiste indruk krijgen van de aan Grimme toekomende exclusieve rechten en ten onrechte in de veronderstelling komen te verkeren dat in Nederland is vastgesteld dat de door Steenvoorden aangeboden Evolution Separator mechines geen inbreuk maken op die rechten – is naar voorlopig oordeel in deze specifieke omstandigheden van dit geval een maatregel op grond van 1019e Rv op zijn plaats.

2.3. Het bevel zal niet worden toegewezen voor België, Duitsland, Frankrijk en Denemarken, zoals verzocht, maar worden beperkt tot Nederland, nu de betreffende informatie beschikbaar wordt gesteld aan het publiek via een op Nederland gerichte, Nederlandstalige website en Grimme niet heeft aangevoerd dat de informatie ook van invloed is op haar positie in andere landen dan Nederland. (…)

Lees het vonnis hier.

IEF 8703

Voorzover de vorderingen een grensoverschrijdend karakter hebben

Rechtbank ’s-Gravenhage, 24 maart 2010, HA ZA 09-2869, Vacu Products B.V. tegen WMF Wurtembergische Metallwarenfabrik AG

Octrooirecht. Slaafse nabootsing. Bevoegdheidsincident. EP ananassnijder. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Vacu Products voor zover zij zien op octrooi-inbreuk en overige onrechtmatige handelingen van WMF buiten Nederland en op vergoeding van de daardoor geleden schade.

4.1. Artikel 2 lid 1 EEX-Vo1 wijst gezien de woonplaats van WMF in beginsel de Duitse rechter aan als bevoegde rechter. Voor zover de vorderingen zien op octrooi-inbreuk en overige onrechtmatige handelingen van WMF in Nederland en op vergoeding van de daardoor geleden schade is, hetgeen WMF ook niet bestrijdt, de Nederlandse rechter bevoegd op grond van artikel 5 lid 3 EEX-Vo en (nu WMF de geldigheid van het ingeroepen octrooi bestrijdt) artikel 22 lid 4 EEX-Vo. Voor zover de vorderingen zien op octrooi-inbreuk en overige onrechtmatige handelingen en op vergoeding van de daardoor geleden schade buiten Nederland geldt evenwel de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EEX-Vo omdat bevoegdheid van deze rechtbank niet op enige bepaling van de EEX-Vo kan worden gegrond en WMF de onbevoegdheid inroept. Voorzover de vorderingen van Vacu Products een grensoverschrijdend karakter hebben, zal de rechtbank zich derhalve onbevoegd verklaren.

Lees het vonnis hier.

IEF 8701

De rechtspositie van deze derde nadelig kan beïnvloeden

Rechtbank ’s-Gravenhage, 17 maart 2010, HA ZA 09-3640, Phramachemie B.V. tegen de Wellcome Foundation Ltd & Glaxo Group Ltd

Octrooirecht. Vonnis in incident. Voeging. Voeging licentienemer toegestaan. Hoofdzaak betreft gestelde nietigheid ABC en (reconventioneel) gestelde inbreuk op farmaoctrooi.

3.1. Glaxo vordert dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak aan de zijde van Wellcome te voegen. Zij stelt daartoe dat zij een rechtmatig belang heeft bij voeging omdat zij exclusief licentieneemster is onder het aanvullend beschermingscertificaat en het basisoctrooi en dat zij van Wellcome een procesvolmacht heeft gekregen om in eigen naam in rechte op te treden om deze rechten te handhaven.

4.1. (…) Voor het aannemen van dat belang is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij, aan wier zijde de derde zich wenst te voegen, de rechtspositie van deze derde nadelig kan beïnvloeden (vergelijk HR 14 maart 2008, NJ 2008, 168). De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.

Lees het vonnis hier.

IEF 8698

Niet nieuw in Nederland

Rechtbank ’s-Gravenhage, 24 maart 2010, HA ZA 08-2126, Ratiopharm GmbH c.s. tegen Eli Lilly and co. Ltd (met dank aan Chantal Morel & Moïra Truijens, Morel, Klos, Vos & Schaap)

Octrooirecht. Nederlandse Olanzapine-zaak. Het Nederlandse deel van het octrooi en ABC van Eli Lilly wordt vernietigd, omdat de stof olanzapine reeds ‘directly and unambiguously’ geopenbaard werd in een eerder gepubliceerd document (‘Schauzu’). Een aanvankelijke fout in dat eerdere document is onmiddellijk kenbaar voor de vakman, evenals de wijze waarop die fout kan worden rechtgezet. Voor de vakman is er geen aanleiding nog naar een ander document te kijken. Uitgebreide bespreking van EOB Case Law en hoe de rechtbank omgaat met gebreken en fouten in openbaarmakingen.

De rechtbank realiseert zich dat haar beslissing wezenlijk afwijkt van eerdere beslissingen in VS, China, Tsjechië, Slowakije, Roemenië, Oekraïne, Rusland, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk en Spanje. In Canada is het octrooi eveneens vernietigd, maar op grond van een ander argument (daar werd olanzapine geen geldige selectie-uitvinding geacht).

6.15. Naar oordeel van de rechtbank is het in lijn met dit Case Law als uitgangspunt te nemen dat een disclosure de stand van de techniek weergeeft die de vakman daaruit afleidt. Niettemin kan een disclosure een fout bevatten waardoor de vakman wat betreft de stand van de techniek op het verkeerde been wordt gezet. Als prima facie sprake is van een fout, behoeft het document niet om die reden terzijde te worden gelegd. Indien de noodzakelijke correctie even kenbaar is en vanzelfsprekend is - directly and unambiguously - als de vaststelling van het bestaan van die fout, dan is er goede reden de gecorrigeerde disclosure te aanvaarden.

6.16. Merkt de vakman een fout in de disclosure niet onmiddellijk op dan zal hij in beginsel de publicatie opvatten als een oplossing voor een technisch probleem zoals het is geopenbaard. Dit beginsel gaat evenwel niet op indien de disclosure in zichzelf een verwijzing naar een ander document bevat, dat de vakman gelet op zijn drang de technical reality te achterhalen zonder meer zal raadplegen en waaruit hij could see at once that the information in question was not correct (T 591/90, Case law p. 79). In dat geval zal de vakman wederom de fout corrigeren aan de hand van het geraadpleegde document. Wel zal aannemelijk moeten zijn dat de vakman het document zal raadplegen, omdat hij bijvoorbeeld twijfelt aan de juistheid van de geopenbaarde informatie (T 412/91), omdat het document naar zijn aard slechts een samenvatting is van het achterliggende document (T 77/87) of omdat hij wordt geconfronteerd met een voor hem geheel onbekende techniek (T 591/90).

(…)

8.1. Samengevat is het oordeel van deze rechtbank dat Schauzu een fout bevat, die voor de vakman onmiddellijk kenbaar is zonder dat hij daar een ander document voor nodig heeft. De manier waarop die fout kan worden rechtgezet is onmiddellijk kenbaar uit hetzelfde Schauzu document. Schauzu openbaart directly and unambiguously, in één document als stof 11 olanzapine. De vakman heeft daarom geen aanleiding Chakrabarti I1 te raadplegen. Zou de vakman dat toch doen, dan zou die publicatie hem bevestigen in zijn eerste aanname dat Schauzu niet gehalogeneerd olanzapine openbaart. Hij zal zeker niet directly and unambiguously (at once, ohne weiteres) concluderen dat Schauzu een tweede fout heeft gemaakt en feitelijk flumazapine openbaart.

Lees het vonnis hier.

IEF 8683

Dit kan niet als een verrassend effect gelden

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 16 maart 2010, KG ZA 07-1439, Aventis Inc. tegen Apothecon B.V. & Ratiopharm B.V. c.s. (met dank aan Mark van Gardingen, Brinkhof)

Octrooirecht. Geneesmiddelen. Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep (Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 januari 2008, KG ZA 07-1439). De door Aventis in kort geding gevorderde inbreukvoorzieningen tegen Apothecon en Ratiopharm worden afgewezen. Om meerdere redenen bestaat een gerede kans dat het octrooi in een bodemprocedure wordt vernietigd.

In dit geschil heeft Aventis gevorderd Apothecon en Ratiopharm iedere directe of indirect inbreuk op EP ‘967 ('Use of terfenadine derivates as antihistaminics in a hepatically impaired patient'), met name door de verkoop en verhandeling van een geneesmiddel bevattende fexofenadine te verbieden. Apothecon en Ratiopharm voeren aan dat het octrooi nietig is, dan wel dat er een gerede kans bestaat dat het octrooi in een bodemprocedure wordt vernietigd. Het Hof oordeelt allereerst dat de antihistiministische werking van fexofenadine op de voorrangsdatum van EP ‘967 bekend was.

Inventiviteit: Aventis stelt zich op het standpunt dat de geoctrooieerde uitvinding een selectieuitvinding is, gebaseerd op de selectie van een bepaalde patientengroep, te weten patienten met een leverkwaal bij wie toediening van terfenadine ter verlichting van hooikoorts tot hartproblemen kan leiden. Het Hof is het daar niet mee eens en concludeert dat er geen vooroordeel bestond op grond van een verondersteld class-effect. Sterker, aldus het Hof, in Monahan en Mathews zijn aanwijzingen te vinden die direct leiden naar de oplossing, de rechtstreekse toepassing van fexofenadine aan hooikoortspatienten met leveraandoeningen, waarbij de werkingen van terfenadine uiteraard niet optreden.

Nieuwheid: Uit het octrooi blijkt volgens het Hof niet dat het gebruik van fexofenadine (zelf) voor het vervaardigen van een geneesmiddel om een anti-histaminische werking te verschaffen in een ‘hooikoorts patient’ met een leverkwaal een verrassend technisch effect met zich meebrengt ten opzichte van dat gebruik bij ‘hooikoortspatienten’ die geen leverkwaal hebben (en dit is ook anderszins niet aannemelijk geworden). Welliswaar blijkt uit het octrooi dat met bedoeld gebruik (toediening) van fexofenadine aan ‘hooikoortspatienten’ met een leverkwaal de hartaandoeningen die gepaard gaan met het toedienen van terfenadine aan die patienten worden vermeden, maar dit kan niet als een verrassend effect gelden omdat dergelijke hartaandoeningen zich ook niet voordoen bij toediening van fexofenadine aan ‘hooikoortspatienten’ zonder leverkwaal. De keuze is, aldus het Hof, aldus een willekeurige.

Lees het arrest hier.

IEF 8682

Fair, Reasonable and Non-Dicriminatory (FRAND)

EP 1066628Rechtbank ‘s-Gravenhage, 17 maart 2010, HA ZA 08-2522 en HA ZA 08-2524, Koninklijke Philips Electronics N.V. tegen SK Kassetten GmbH & Co. KG

Octrooirecht. Niet geslaagd FRAND-verweer. De Rechtbank wijkt af van het oordeel van het Duitse Bundesgerichthof (BGH) in de Orange Book-zaak (BGH 6 mei 2009, KZR 39106, IEF 7936).

Philips heeft samen met een aantal andere bedrijven CD- en DVD-technologie ontwikkeld, waaronder technologie met betrekking tot CD-R en DVD+R disks. Om een uniforme toepassing van deze technologie mogelijk te maken is deze technologie gestandaardiseerd. Philips is houdster van EP 238 en EP 628. SK heeft zich in ieder geval tot december 2009 beziggehouden met het aanbieden en verkopen van CD-R en DVD+R disks.

Het verweer van SK dat de door haar verhandelde CD-R en DVD+R disks niet onder de beschermingsomvang van EP 238, resp. EP 628 zouden vallen, treft geen doel. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat als onweersproken vast staat dat de door SK verhandelde disks voldoen aan de respectieve CD-R dan wel DVD+R standaard. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de disks ook alle kenmerken van conclusie 14 in verbinding met conclusie 1 van EP 238, resp. conclusie 1 tot en met 8 van EP 628 vertonen. Philips heeft namelijk per kenmerk van die conclusies uiteengezet hoe de in EP 238/EP 628 belichaamde technologie is geïncorporeerd in de CD-R dan wel de DVD+R standaard.

Op grond van het voorgaande moet concludeert de Rechtbank dat SK inbreuk heeft gemaakt op EP 238/EP 628. Dat brengt mee dat de door Philips gevorderde verboden en nevenvorderingen in beginsel voor toewijzing in aanmerking komen.

FRAND-verweer: 6.19. Het betoog van SK dat zij aanspraak maakt op een licentie onder EP 238 [en op EP 628] op Fair Reasonable And Non-Discriminatory (hierna: FRAND) voorwaarden, kan niet leiden tot een andere conclusie. Anders dan SK meent, is de gestelde aanspraak op een FRAND-licentie geen vrijbrief om inbreuk te maken op de octrooirechten van Philips. Indien de gestelde aanspraak zou zijn omgezet in een licentie, zou het SK uiteraard vrij staan om de geoctrooieerde technologie te gebruiken. Zolang SK nog geen licentie heeft, bestaat echter in beginsel geen grond om SK het gebruik van die technologie toe te staan of om Philips handhaving van haar octrooirecht te ontzeggen.

6.24. In het licht van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat Philips haar octrooirecht kan handhaven jegens SK ook indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat SK aanspraak maakt op een licentie. Misbruik van een machtspositie in de zin van het mededingingsrecht of anderszins onrechtmatig of onredelijk handelen levert dat in beginsel niet op, gegeven het feit dat SK wist dat er octrooirechten van Philips op de door haar gebruikte technologie rustten, maar zij desondanks haar gestelde aanspraak op een licentie niet heeft omgezet in een licentie. Niet uit te sluiten is dat onder bijzondere omstandigheden anders moet worden geoordeeld, maar die bijzonderheden zijn in dit geval gesteld noch gebleken.

6.25. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij met bovengenoemd oordeel afwijkt van de criteria die het Duitse Bundesgerichthof (hierna: BGH) in de Orange Book-zaak (BGH 6 mei 2009, KZR 39/06, IEF 7936) heeft ontwikkeld voor de beoordeling van zogeheten FRAND-verweren. Volgens het BGH slaagt in een inbreukzaak het verweer dat de gedaagde aanspraak maakt op een FRAND-licentie als – samengevat – de gedaagde de octrooihouder onvoorwaardelijk heeft aangeboden om een FRAND-licentie af te nemen en de gedaagde de voorwaarden van die licentie al uitvoert, voor wat betreft de betalingsverplichting desgewenst door het stellen van zekerheid. Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank vindt dat dit oordeel van het BGH toegepast op de Nederlandse situatie (i) op gespannen staat met het octrooirecht (zie r.o. 6.19 en 6.20) (ii) rechtsonzekerheid meebrengt (zie r.o. 6.21), en (iii) onnodig is ter bescherming van de legitieme belangen van de gedaagde (zie r.o. 6.22 en 6.23). Ten overvloede wijst de rechtbank er daarbij op dat het FRAND-verweer van SK ook niet zou slagen op basis van de door het BGH ontwikkelde criteria, reeds omdat SK erkent dat zij geen uitvoering heeft gegeven aan de voorwaarden van de licentie die Philips volgens haar dient te verstrekken. Zij heeft Philips namelijk niets betaald. Evenmin heeft ze zekerheid voor betaling gesteld.

6.26. Aangezien het FRAND-verweer van SK al op grond van het voorgaande strandt, kan in het midden blijven of SK daadwerkelijk aanspraak maakt op een FRAND-licentie en zo ja, op welke grond en op welke voorwaarden.

Kosten 1019h Rv: Ook de kosten van werkzaamheden met betrekking tot “mededingingsrechtelijke kwesties” moeten, anders dan SK meent, niet buiten beschouwing worden gelaten bij begroting van de kosten in de zin van artikel 1019h Rv. Die kwesties betreffen namelijk het door SK opgeworpen FRAND-verweer. De werkzaamheden die Philips heeft moeten verrichten ter bestrijding van dat verweer waren noodzakelijk in het kader van de handhaving van haar octrooirechten en komen dus in aanmerking voor vergoeding krachtens artikel

Lees het vonnis hier

IEF 8669

Niet onder de beschermingsomvang vallen

Rechtbank ‘s-Gravenhage, 10 maart 2010, zaaknr. 337089, Safeway GmbH tegen Kedge Holding B.V.

Octrooirecht. EP valbeveiliging voor dakwerkers. (Niet-grensoverschrijdende) verklaring voor recht van niet-inbreuk.

4.26 Gelet op het vorenoverwogene komt de door Safeway in conventie gevorderde verklaring voor recht van niet-inbreuk voor zover betrekking hebbend op Nederland voor toewijzing in aanmerking. De voorwaarde waaronder Safeway in conventie de vernietiging van EP 991 heeft gevorderd, alsmede de voorwaarde waaronder Kedge haar reconventionele vordering heeft ingesteld, gaan niet in vervulling, zodat daaraan niet wordt toegekomen. Aan de provisionele vorderingen wordt evenmin toegekomen.

4.27 De door Safeway gevorderde verklaring van niet-inbreuk in andere landen dan Nederland waar EP 991 gelding heeft, komt reeds niet voor toewijzing in aanmerking vanwege de omstandigheid dat geen bewijs is overgelegd waaruit blijkt dat EP 991 in andere landen dan Nederland van kracht is. Voorts heeft Safeway de rechtbank niet ingelicht omtrent de toepassing van het recht in die landen, in het bijzonder ten aanzien van de leerstukken equivalentie en de mogelijkheid om het verleningsdossier te betrekken bij de uitleg van een octrooi. Het is algemeen bekend dat daarmee in diverse Europese landen – ondanks materiële harmonisatie van octrooiwetgeving – verschillend wordt omgegaan.

Lees het vonnis hier.

IEF 8668

De tenaamstelling (Zutphen)

Rechtbank Zutphen, 3 maart 2010, LJN: BL6147, Freerider Ltd tegen E-Traction Europe B.V.

Octrooirecht. Stukgelopen samenwerking. Freerider is niet de (juridisch) eigenaar van de octrooien en octrooiaanvragen met betrekking tot The Wheel en is daarom niet bevoegd zich als eigenaar in de octrooiregisters in te laten schrijven. Op grond van de overeenkomsten tussen partijen is Freerider wel bevoegd een octrooigemachtigde aan te wijzen. 

Eerder vonnis Rb Den Haag: 7.2.  Voor zover Freerider zich op het standpunt stelt dat het e-Traction Europe niet is toegestaan het onderhavige verzoek om voorlopige voorzieningen voor te leggen aan deze rechtbank omdat de voorzieningenrechter te Den Haag een soortgelijke vordering reeds heeft afgewezen [zie: Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 december 2009, IEF 8484], wordt dit betoog verworpen. Niet alleen verschillen de in dit incident ingestelde vorderingen van de vorderingen die aan de voorzieningenrechter te Den Haag zijn voorgelegd, ook de in de procedures betrokken partijen zijn niet dezelfde. Het risico van tegenstrijdige uitspraken doet zich dan ook niet voor.
 
Eigenaar octrooien: 7.8.  Zoals door Freerider onweersproken is aangevoerd en ook blijkt uit de door haar als productie 3 in het incident in het geding gebrachte brieven van het European Patent Office kent het octrooiregister slechts de aanduidingen ‘applicant’ en ‘proprietor’. Uit het bepaalde in het derde lid van artikel 60 Europees Octrooiverdrag volgt dat de aanvrager geacht wordt de gerechtigde te zijn op het octrooi. Zoals door de voorzieningenrechter te Den Haag is overwogen, wordt ook in de praktijk ervan uitgegaan dat degene die als ‘applicant’ op een octrooischrift staat vermeld de rechthebbende is. Dit leidt tot de conclusie dat in het geval Freerider als ‘applicant’ of ‘proprietor’ van de octrooiaanvragen respectievelijk octrooien vermeld zou worden, bij derden die een nationaal of internationaal octrooiregister raadplegen ten onrechte de indruk gewekt zou worden dat Freerider de aanvrager respectievelijk eigenaar is van de aanvragen en octrooien, hetgeen tot een ontoelaatbare vervuiling van deze registers zou leiden. Nu voorshands moet worden geoordeeld dat e-Traction Europe en niet Freerider eigenaar is van de octrooien en octrooiaanvragen, brengt het vorenstaande met zich dat het Freerider niet vrijstaat zich in de octrooiregisters als eigenaar of aanvrager te (laten) registreren, zoals zij dat ten aanzien van in ieder geval twee octrooien heeft gedaan.

Artikel 2.7 van de APA bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat de ‘application’ ‘in Sellers name’ dient plaats te vinden.
De verder niet weersproken belangen van e-Traction Europe mede in aanmerking genomen, zal daarom vordering 3 in reconventie worden toegewezen. Het enkele feit dat e-Traction Europe het Europees Octooibureau reeds heeft verzocht de wijziging van de tenaamstelling ongedaan te maken, brengt niet mee dat zij geen spoedeisend belang meer bij deze voorziening heeft. Het is immers gesteld noch gebleken dat dit verzoek zal worden ingewilligd. De na te noemen dwangsom komt vooralsnog als een genoegzame prikkel tot nakoming voor.

Gemachtigde: 7.9.  Freerider is onder meer in artikel 2.7. van de APA het recht toegekend de octrooien en octrooiaanvragen te administreren (‘filing’), hetgeen impliceert dat het aan Freerider en niet aan e-Traction Europe is om te bepalen wie als octrooigemachtigde zal optreden. Het stond e-Traction Europe dan ook niet vrij om zonder voorafgaande toestemming van Freerider een andere dan de door Freerider aangewezen octrooigemachtigde aan te wijzen. e-Traction Europe zal dan ook bevolen worden de inschrijving van deze gemachtigde bij het Europees octrooibureau en andere octrooiverlenende instanties ongedaan te maken en te herstellen.
e-Traction Europe wordt niet gevolgd in haar stelling dat NOB door medewerking te verlenen aan de inschrijving van Freerider als gerechtigde op de octrooien en octrooiaanvragen, een zodanig bedenkelijke rol heeft gespeeld dat zij niet langer als gemachtigde kan optreden.

Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken blijkt immers genoegzaam dat NOB deze inschrijving in opdracht van Freerider heeft gewijzigd, nadat Freerider haar had meegedeeld dat zij ingevolge de APA en de TASA als eigenaar had te gelden en het recht had de inschrijving te wijzigen en nadat NOB een onderzoek naar de juistheid van deze mededelingen had ingesteld. Het mag zo zijn dat de voorzieningenrechter in Den Haag heeft geoordeeld dat NOB verzuimd heeft (zorgvuldig) te onderzoeken of er sprake was van een voldoende titel voor wijziging van de tenaamstelling en aldus heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij als goed octrooigemachtigde in acht dient te nemen, maar er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan gevreesd moet worden dat NOB in deze onzorgvuldige taakuitoefening zal volharden. Integendeel, NOB telt thans als gewaarschuwde gemachtigde voor twee en van haar mag verwacht worden dat zij met betrekking tot de onderhavige octrooien en octrooiaanvragen meer dan de gebruikelijke zorgvuldigheid zal betrachten. Dat de belangen van e-Traction Europe zullen worden geschonden doordat Freerider gerechtigd is een octrooigemachtigde aan te wijzen, komt niet aannemelijk voor nu het Freerider niet vrij staat deze gemachtigde te instrueren Freerider in de octrooiregisters als eigenaar in te (doen) schrijven. De vorderingen II en III van Freerider liggen hiermee voor toewijzing gereed. De na te noemen dwangsom komt vooralsnog als een genoegzame prikkel tot nakoming voor.
 
Lees het vonnis hier.