DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 4809

Dieplader met gieksleuf

diepl.gifRechtbank ’s-Gravenhage, 26 september 2007, HA ZA 06-3079. Koninklijke Nooteboom Trailers B.V. tegen Faymonville S.A.

Octrooirecht. Gebrek aan uitvindingshoogte. Inbreukverbod wordt afgewezen wegens nietigheid van het octrooi. Proceskostenveroordeling kan niet ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Nooteboom is houdster van een Nederlands octrooi voor een ‘Aanhanger met pendelassen en centrale uitsparing’. Het gaat om een bepaald type aanhanger, een zogenoemde dieplader, voor vervoer van zwaar materieel, zoals graafmachines. Tussen de pendelaswielstellen van de dieplader is een uitsparing die voldoende breedte en diepte heeft om bijvoorbeeld een graafarm of giek van graafmachines te kunnen bergen (gieksleuf), zodat deze niet gedeeltelijk gedemonteerd hoeft te worden bij transport. Nooteboom verzet zich tegen het Belgische Faymonville, dat in Nederland en elders in Europa eveneens diepladers met gieksleuf en pendelaswielstellen op de markt brengt en vordert een octrooi-inbreukverbod.

Faymonville stelt dat de rechtbank de zaak moet aanhouden totdat door de Belgische rechter omtrent diens bevoegdheid is beslist, omdat Faymonville eerder een zaak in België tegen Nooteboom is begonnen, die hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust. De Haagse rechter oordeelt daarentegen dat gelet op de uitspraak van het HvJ EG in de zaak GAT/LuK geen twijfel bestaat dat de Belgische rechter niet bevoegd is te oordelen omtrent de geldigheid van het Nederlandse octrooi. De Nederlandse rechter is bevoegd de onderhavige zaak - waarin de nietigheid van het octrooi bij wege van verweer wordt ingeroepen - te beoordelen. Het nietigheidsverweer van Faymonville beperkt zich tot non-inventiviteit en het niet gedekt zijn door de oorspronkelijke octrooiaanvrage.

Als meest nabije stand van de techniek beschouwt de rechtbank het op de indieningsdatum  bekende type dieplader met gieksleuf en wielstellen zonder pendelassen. “Uitgaande van een aanhanger met gieksleuf en zonder pendelassen wil de vakman tot een compactere, kortere, althans hoger belastbare eenheid komen, maar met behoud van de voordelen van een voldoende brede en diepe gieksleuf tussen de wielen voor (de graafarm van) groot materieel als graafmachines. Ter oplossing van dat objectief geformuleerde probleem ligt het voor de vakman voor de hand om dan pendelassen toe te passen.”

De rechtbank stelt vast dat blijkens de beschrijving van het octrooi niets anders wordt gezegd dan dat één-op-één smallere pendelassen moeten worden toegepast om de benodigde tussenwielruimte te krijgen.  Naar het oordeel van de rechtbank openbaart het octrooi hiermee echter niet voor de vakman dat en hoe zulks op een volgens de uitvinding bedoelde wijze kan gebeuren en wat daarbij voor technische problemen overwonnen moeten worden. Er is geen sprake van een uitvinding, maar van louter toepassing van ambachtelijke vakkennis. (4.12)

Het gebrek aan uitvindingshoogte kan volgens de rechtbank ook inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van de stand van de techniek van de bekende aanhangers mét pendelaswielstellen zonder voldoende brede en diepe gieksleuf tussen de wielstellen. Teneinde tussen de wielstellen een bredere/diepere gleuf te verkrijgen, ligt het besparen van ruimte tussen de wielen door smallere pendelassen toe te passen voor de gemiddelde vakman voor de hand.

De rechtbank oordeelt dat het gehele octrooi nietig is wegens gebrek aan uitvindingshoogte en wijst de vorderingen van Nooteboom af, aangezien op een nietig octrooi geen inbreuk mogelijk is.

Nooteboom wordt veroordeeld in de proceskosten van Faymonville. Deze kostenveroordeling is echter niet uitvoerbaar bij voorraad. “(…) Aangezien Faymonville noch bij antwoord, noch bij pleidooi, noch bij haar Handhavingsrichtlijnconforme proceskostenverantwoording expliciet of impliciet aanspraak heeft gemaakt op een uitvoerbaar bij voorraad verklaring van een eventuele proceskostenveroordeling te haren voordele, kan deze kostenveroordeling niet ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (vgl. HR 14 mei 2004, NJ 2005/247).”

Lees het vonnis hier.

IEF 4805

Eerst even voor jezelf lezen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 2 oktober 2007, KG ZA 07-976, Velopa B.V. tegen GTV Tools.  (met dank aan Theo Bosboom, Dirkzwager)

“Velopa vordert - samengevat - een Gemeenschapsmodelinbreukverbod, een auteursrechtinbreukverbod, alsmede een verbod tot slaafse nabootsing en diverse nevenvorderingen, te weten een registeraccountantsgerectificeerd bevel van het aantal geproduceerde, ingekochte, verkochte. geleverde, voorradig of bestelde inbreukmakende pannadoeltjes, van professionele afnemers daarvan, alsmede van de daarmee behaalde bruto- en nettowinst, alles op straffe van dwangsommen, waarbij aanspraak wordt gemaakt op een
proceskostenveroordeling volgens art.  1019h Rv.”

Lees het vonnis hier. 'Schone' versie Rechtbank Den Haag hier.

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 20 september 2007, rolnr. 06/50, Bonar Technical Fabrics N.V. tegen Ludvig Svensson International B.V.(met dank aan Wilfred Steenbruggen en Gertjan Kuipers, De Brauw Blackstone Westbroek).

“Slotsom van het vorenstaande is dat de vordering van Bonar tot vernietiging van het octrooi van LSI afgewezen dient te worden en dat de grieven in het principale beroep falen, wat er ook zij van de overwegingen van de rechtbank. In het principale beroep zal het vonnis mitsdien worden bekrachtigd en Bonar als na te meiden worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van LSI gevallen.”

Lees het arrest hier. Eerder bericht + vonnis rechtbank: IEF 1184).

IEF 4675

Ringelementen

rng.gifRechtbank ’S-Gravenhage, 30 augustus 2007, KG ZA 07-871 Present Sieraden B.V. tegen Korse.

Onrechtmatige uitlatingen. Ongeldig octrooi. Geen auteursrechtinbreuk. Rectificatie.

Wel gemeld, nog niet besproken. Korse is houdster van een Nederlands octrooi met betrekking tot een ‘Ringelement voor het grotendeels omsluiten van een vinger en ring voor gebruik als vingerdecoratie, voorzien van een dergelijk ringelement’. Het octrooi is (na aanpassing) ingeschreven en verleend op 23 juli 2007, naar aanleiding van een aanvraag gedateerd 2 mei 2006 voor de duur van 20 jaar. Meer concreet betreft het octrooi een "ring voor aan de vinger met een losneembare pen, waardoor enige bedel (kraal) op de ring gedragen kan worden. Zo kan met één ring telkens een andere bedel (kraal) worden gedragen." Korse brengt de ring onder de naam Beadring op de markt.

Korse ontdekt dat Present Sieraden een soortgelijke ring (SwitchClickring, afbeeldingen in vonnis) op de markt brengt en neemt op 28 juni 2007 (voordat het octrooi is verleend) per telefoon en email contact op met Present Sieraden waarbij hij verzoekt de verkoop direct te staken wegens inbreuk op aan hem toekomende octrooi- en auteursrechten. Op 5 juli 2007 volgen sommatiebrieven aan Present Sieraden en een groot aantal van haar afnemers, waarbij Korse zich beroept op het octrooi dat op korte termijn verleend zal worden en het auteursrecht.

In dit geding vordert Present Sieraden dat gedaagde stopt met de onrechtmatige uitlatingen over de SwitchClickring. De rechter oordeelt dat de sommaties aan de afnemers van Present Sieraden onrechtmatig zijn omdat deze onjuiste suggesties wekken.

"(...) zelfs indien de tekst van de sommatiebrief op het vorige punt juist was opgesteld, dan nog sprake zou zijn geweest van lichtvaardig en daarmee onrechtmatig handelen door de brieven met voormelde inhoud aan afnemers te sturen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van de vraag onder welke omstandigheden het beroep buiten rechte op een vooronderzocht octrooi onrechtmatig moet worden geacht, geldt dat indien dat octrooi later wordt herroepen of vernietigd, de octrooihouder onrechtmatig handelt indien hij weet, dan wel dient te beseffen, dat een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het octrooi geen stand zal houden in een oppositie- of een nietigheidsprocedure (HR 29 september 2006, BIE 2007, 55). Hoewel in dit geval geen sprake is van een vooronderzocht octrooi, maar van een Nederlands registratieoctrooi, is zelfs naar deze maatstaf gemeten het handelen van Korse naar voorlopig oordeel onrechtmatig te achten (...)"

De nieuwheid aan conclusie 1 wordt namelijk ontnomen door het bestaan van de tipitring. Korse bleek al voor het versturen van de sommatiebrieven op de hoogte van het bestaan van deze ring (vanaf de  voorjaarsbeurs 2006). Aldus is duidelijk dat er een serieuze niet te verwaarlozen  kans bestond (en bestaat) dat het octrooi ongeldig zal blijken, hetgeen Korse had  moeten weten. Dit geldt te sterker nu het slechts een registratieoctrooi betrof. Zijn beroep op het octrooi jegens de afnemers van Present Sieraden kan daarmee de zorgvuldigheidstoets niet doorstaan en is om die reden onrechtmatig.

Het beroep op het auteursrecht door Korse wordt eveneens afgewezen. De ringen verschillen qua totaalindruk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het uiterlijk in belangrijke mate wordt bepaald door technisch bepaalde en aldus niet auteursrechtelijk te beschermen trekken. Naar voorlopig oordeel zijn deze verschillen zelfs dusdanig dat het niettemin hierop gronden van de stelling dat de verkoop zou moeten worden gestaakt,onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig is.

Ten slotte geldt dat de onrechtmatigheid wordt versterkt doordat Korse in plaats van de reactie van Present Sieraden af te wachten de afnemers heeft aangeschreven. De rechter acht de termijn onredelijk kort die Korse stelde. Daarnaast had Korse niet de (nog niet gepubliceerde) octrooiaanvraag meegestuurd zodat Present Sieraden niet in staat was inhoudelijk op de beschuldigingen te reageren.

"Het gehele optreden van Korse in de periode 28 juni-5 juli 2007 overziende rest de voorzieningenrechter geen andere conclusie dan dat hij door afnemers van Present Sieraden aan te schrijven zoals hij heeft gedaan waarbij hij zich beriep op octrooirechtelijke en auteursrechtelijke pretenties waarvan hij wist of althans behoorde te weten dat deze onjuist waren, of althans een duidelijk zeer discutabele basis hadden, Present Sieraden welbewust schade heeft berokkend. Zulks is onrechtmatig.(4.9)"

Toewijzing verbod tot het doen van onrechtmatige uitlatingen en rectificatie. 

Lees het vonnis hier

IEF 4671

Biochemische octrooizaak

Theo Blomme (ir.), Freshfields Bruckhaus Deringer: Rechtbank ’s-Gravenhage, 22 augustus 2007, HA ZA 06-2131. Ajinomoto Co. Inc. c.s. tegen Global Bio-Chem Technology Group Company Ltd c.s. Korte bespreking van een biochemische octrooizaak met enkele interessante juridische aspecten.

“Omdat de volledige aaneengesloten DNA-sequentie van de gebruikte bacterie niet in het eindproduct aanwezig was, viel het voor eiseres Ajinomoto niet mee om inbreuk op haar octrooien aan te tonen. Dat bewijs werd geleverd door middel van gensequentie-analyses van DNA restanten die nog in de aangetroffen L-lysine aanwezig waren. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van GBT dat dit bewijs niet sluitend zou zijn omdat daaruit niet de volledige geclaimde (gemodificeerde) gensequentie zou blijken. Het geleverde bewijs maakt één en ander namelijk zeer aannemelijk en een andersluidende verklaring ontbreekt.”

Lees de bespreking hier. Vonnis Rechtbank Den Haag hier.

Freshfields Bruckhaus Deringer trad in deze zaak op voor Ajinomoto Co. Inc.

 

 

IEF 4657

Een werkzaamheid van feitelijke aard

lly.gifHoge Raad, 7 september 2007, LJN: BA3522, Lely Enterprises A.G. tegen Delaval B.V.

Arrest Hoge Raad, nog niet besproken, wel gemeld en en zelfs al voorzien van een noot (zie hieronder: IEF 4655). Onderstaand een samenvatting.

Lely heeft DeLaval in 2002 gedagvaard voor de Rechtbank voor (in)directe octrooiinbreuk. DeLaval heeft toen in reconventie nietigheid van het octrooi gevorderd. De rechtbank heeft in het voordeel van Lely beslist, waarna de partijen bij het Hof belandden. Voor het Hof bleef de geldigheid van het octrooi overeind, maar werd de inbreuk verworpen. Dit was voor Lely reden om naar de Hoge Raad te stappen. Die heeft nu de bezwaren van Lely tegen het arrest volledig afgewezen.

Het octrooi dat centraal staat in deze zaak is EP-0.535.754 en draagt de titel: Inrichting voor het melken van dieren en een werkwijze voor het nabehandelen van de spenen van een gemolken dier. Het octrooi heeft één inrichtingsconclusie en één werkwijzeconclusie. Het hof heeft de inrichtingsconclusie als volgt weergeven.

Een inrichting voorzien van:

a. een automatisch werkend reinigingsorgaan voor het reinigen van spenen,

b. een melkrobot met een robotarm voor

b.1. het aankoppelen van de melkbekers aan de spenen van het dier,

b.2. het vervolgens melken, en

b.3. het loskoppelen van de melkbekers van de spenen van het dier, alsmede

c. een automatisch werkende nabehandelingsinrichting in de robotarm.

Het hof is kort gezegd van mening dat DeLaval geen inbreuk maakt met haar VMS-systeem, omdat ze aspecten b.2, b.3 en c niet toepast. De overwegingen betreffende aspecten b.2 en b.3 zijn dat "de melkbekers van het VMS-systeem voorafgaand aan het aankoppelen aan de spenen niet worden ondersteund door de robotarm (maar zich in een terzijde opgesteld magazijn bevinden en daaruit stuk voor stuk door een grijper op de robotarm worden gepakt en aan een speen worden gekoppeld), dat tijdens het melken de robotarm op afstand van de melkbekers wordt gehouden en dat die zich ook bij het loskoppelen van de melkbekers van de spenen op afstand van de melkbekers bevindt, en de melkbekers na het loskoppelen dan ook niet worden ondersteund door de robotarm. Over aspect c. merkt het hof op dat "van de nabehandelingsinrichting (van het VMS-systeem, IEF) slechts een deel van de leiding voor de nabehandelingsvloeistof in de robotarm is opgenomen, terwijl het sproeimondstuk zich bevindt in een plastic haak die door de robotarm wordt gedragen."

De Hoge Raad verwijst allereerst naar artikelen 53 ROW 1995 en 69 EOV, die stellen dat het uitsluitend recht wordt bepaald door de inhoud van de conclusies van het octrooischrift, waarbij de beschrijving en de tekeningen dienen tot uitleg van die conclusies. Ook het protocol dat dient om art. 69 uit te leggen wordt geciteerd. Vervolgens wordt eerdere arresten van de Hoge Raad zelf aangehaald, waarna afgesloten wordt met:

"In het arrest van 1995 is aldus tot uitdrukking gebracht dat 'hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is', onderscheidenlijk 'de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte' niet langer als uitgangspunt dient, doch als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de 'uitersten' in de woorden van het Protocol). De feitenrechter die zich gesteld ziet voor de taak de beschermingsomvang van een octrooi vast te stellen door uitleg van de octrooiconclusies, dient bovenstaande maatstaf (met inbegrip van hetgeen in het arrest van 1995 overigens nog is overwogen) te hanteren. Die uitleg is in de regel overigens zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat deze in cassatie slechts in beperkte mate op juistheid kan worden onderzocht."

De Hoge Raad is vervolgens van mening dat (in de woorden van de A.G., Conclusies 4.1) "het hof (…) derhalve geen rechtsregel (uitlegmaatstaf) [heeft] miskend bij de uitleg van het octrooi. Dan is dus de vraag aan de orde of die uitleg voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is. De uitleg van een octrooi is immers een werkzaamheid van feitelijke aard, die dan ook nauw verweven is met de waardering van de feitelijke omstandigheden door de rechter in eerste aanleg en in hoger beroep. Die uitleg kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst." Ook de klachten van Lely over de motivatie worden echter afgewezen, zodat het principale beroep verworpen.

Lees het arrest hier.

IEF 4655

Hoge Raad blijft worstelen met beschermingsomvang

re.gifRichard Ebbink(Brinkhof): Hoge Raad blijft worstelen met beschermingsomvang. Noot bij HR 7 september 2007, Lely/Delaval

"De uitkomst van de zaak is voorspelbaar en daarom bevredigend. Iemand die één of meer elementen van een conclusie niet toepast, maakt geen inbreuk. Dat de argumentatie van de HR opnieuw teleurstelt, komt door de gebrekkige wijze waarop de Hoge Raad blijft omgaan met het op de vraag naar de beschermingsomvang van een Europees octrooi toepasselijke recht. Dat recht is uniform internationaal (‘Europees’) recht. Dit in feite rechtstreeks toepasselijke eenvormige ‘Europese' recht is, ook volgens de HR, geformuleerd in artikel 69-1 EOV, welk artikellid wordt toegelicht in een, ook door de Hoge Raad geciteerd, protocol bij het EOV. "

Lees de volledige noot hier. HR 7 september 2007, Lely/Delaval hier.

IEF 4652

Eerst even voor jezelf lezen

1- BBIE, beslissing inzake oppositie, 6 september 2007, Nr. 2000394, Continental Holding B.V. tegen Albron B.V. (MORE tegen Coffee & More ( fig.))

“Hoewel het ingeroepen recht geheel vervat zit in het bestreden teken, dat bovendien over een zwak onderscheidend vermogen beschikt, is deze vaststelling op zichzelf niet voldoende om te overwegen dat de twee betrokken merken, elk in hun geheel beschouwd, overeenstemmen.”

Lees de beslissing hier.

2- BBIE, beslissing inzake oppositie, 6 september 2007, Nr2000392, Continental Holding B.V. tegen Albron B.V. (MORE tegen Coffee & More ( fig.))

“Hoewel het ingeroepen recht geheel vervat zit in het bestreden teken, dat bovendien over een zwak onderscheidend vermogen beschikt, is deze vaststelling op zichzelf niet voldoende om te overwegen dat de twee betrokken merken, elk in hun geheel beschouwd, overeenstemmen.”

Lees de beslissing hier.

3- HvJ EG, 11 september 2007, zaak C-17/06, Céline SARL tegen Céline SA.

„Merken, Artikelen 5, lid 1, sub a, en 6, lid 1, sub a, van Eerste richtlijn (89/104/EEG), Recht van houder van ingeschreven merk, bezwaar te maken tegen gebruik door derde van teken dat gelijk is aan merk, Gebruik van teken als maatschappelijke benaming, handelsnaam of bedrijfsembleem, Recht van derde om zijn naam te gebruiken”

Lees het arrest hier.

4- HvJ EG, 11 september 2007, zaak C-431/05. Merck Genéricos – Produtos Farmacêuticos Lda tegen Merck & Co. Inc. & Merck Sharp & Dohme Lda.

“Artikel 33 van de TRIPs-overeenkomst, Octrooien, Minimale beschermingsduur, Wetgeving van lidstaat die in kortere duur voorziet, Artikel 234 EG, Bevoegdheid van Hof, Rechtstreekse werking”

Lees het arrest hier.

IEF 4618

Kunstgras

kunstgras.jpgRechtbank Zutphen, 23 augustus 2007, KG ZA 07-231, Doornewaard tegen Air Force Ltd & Gerechtshof ’s-Gravenhage, 24 mei 2007, Rolnr. 03/650, Air Force Ltd. Tegen Smillie Beheer B.V. & Silic Nova B.V.  (Beide uitspraken met dank aan  Marleen van den Horst, BarentsKrans).

Vonnis tot opheffing van een bewijsbeslag in de eerder gesignaleerde Zutphense octrooizaak (IEF 4566) en het in hetzelfde artikel genoemde arrest van het hof Den Haag. Beide zaken hebben betrekking op de (volgens het hof) inbreukmakende Silicair-machine van Smillie.

In het arrest van 24 mei 2007 beoordeelt het hof de inbreuk door Smillie op een tweetal Europese octrooien van Airforce, waarvan de ene ziet op een inrichting en werkwijze voor het reinigen van speeloppervlakken uit kunstgras, en de ander ziet op een inrichting en werkwijze voor het herstellen van speeloppervlakken van kunstgras. Om onopgehelderde redenen zit een tijdvak van meer dan 5 jaar tussen het arrest van 24 mei 2007 en het beroepen vonnis van 27 april 2002. Eveneens blijft onopgehelderd waarom Airforce tegen dit vonnis is beroep is gegaan, maar vervolgens verzuimd heeft om van grieven te dienen, met als gevolg dat in hoger beroep alleen de incidentele grieven van Smillie aan de orde zijn.

Het hof oordeelt dat de Silicair-machine valt onder de beschermingsomvang van in elk geval één van de conclusies van beide octrooien. Ten aanzien van het tweede octrooi (het octrooi voor het herstellen van speeloppervlakken) wordt in de Silicair-machine volgens de rechtbank een equivalente werkwijze toegepast onder de functie-wijze-resultaat toets. Slotsom is dat de incidentele grieven van Smillie worden afgewezen en dat de door Smillie gevorderde verklaringen voor recht van niet-inbreuk niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Het hof oordeelt dat de Silicair-machine valt onder de beschermingsomvang van in elk geval één van de conclusies van beide octrooien. Ten aanzien van het tweede octrooi (het octrooi voor het herstellen van speeloppervlakken) wordt in de Silicair-machine volgens de rechtbank een equivalente werkwijze toegepast onder de functie-wijze-resultaat toets. Slotsom is dat de incidentele grieven van Smillie worden afgewezen en dat de door Smillie gevorderde verklaringen voor recht van niet-inbreuk niet voor toewijzing in aanmerking komen.

In het vonnis in kort geding van 23 augustus 2007 vordert Doornewaard de opheffing van onder hem gelegde conservatoire (bewijs)beslagen op een exemplaar van de Silicair-machine.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Zutphen acht zich onbevoegd  om van de vorderingen van Doornewaard kennis te nemen. Uitsluitend de rechtbank Den Haag zou bevoegd zijn. Weliswaar is de Zutphense de voorzieningenrechter als beslagrechter in beginsel bevoegd tot opheffing van het beslag op grond van artikel 705 Rv, maar dit betreft  volgens de voorzieningenrechter een aanvullende bevoegdheid, terwijl in dit geval de bevoegdheid van de Haagse rechter op grond van artikel 80 lid 2 sub a van de Rijksoctrooiwet prevaleert.

De voorzieningenrechter overweegt:

“Aangezien de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht slechts kan blijken uit een beoordeling van de vraag over de geldigheid en handhaving van octrooien, is krachtens het bepaalde in artikel 80 lid 2 aanhef en onder a. van de Rijksoctrooiwet 1995 de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage in kort geding in Nederland bij uitsluiting bevoegd van de vordering tot opheffing van het onderhavige beslag kennis te nemen.” 

Lees het vonnis hier en het arrest hier.

IEF 4610

Eerst even voor jezelf lezen

Rechtbank Almelo, 31 augustus 2007, KG ZA 07-166, Stichting Vestia Groep tegen Stichting Vestion Wonen (Met dank aan Fulco Blokhuis, Boekx).

Handelsnaamrecht of merkenrecht? “De vorderingen van Vestia dienen te worden afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechters is er voorshands bij het grote publiek en de gemiddelde consument geen gevaar voor verwarring te duchten ten aanzien van de namen Vestia en Vestion. Dit verwarringsgevaar dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.”

Lees het vonnis hier.

Rechtbank Zutphen, KG ZA 07-231, Doornewaard tegen Air Force Ltd & Gerechtshof ’s-Gravenhage, 24 mei 2007, Rolnr. 03/650, Air Force Ltd. Tegen Smillie Beheer B.V. & Silic Nova B.V.  (Beide uitspraken met dank aan  Marleen van den Horst, BarentsKrans).

Vonnis in de eerder gesignaleerde Zutphense octrooizaak (IEF 4566) en het in hetzelfde artikel genoemde arrest van het hof Den Haag.

“Aangezien de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht slechts kan blijken uit een beoordeling van de vraag over de geldigheid en handhaving van octrooien, is krachtens het bepaalde in artikel 80 lid 2 aanhef en onder a. van de Rijksoctrooiwet 1995 de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage in kort geding in Nederland bij uitsluiting bevoegd van de vordering tot opheffing van het onderhavige beslag kennis te nemen.”

Lees het vonnis hier en het arrest hier.

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 30 augustus 2007, Rolnr. 05/436, Nuova Firm SpA tegen Badotherm Procesinstrumentatie B.V. (Met dank aan Michiel Rijsdijk, Van der Steenhoven).

“Uit de stellingen van Nuova Fima begrijpt het hof dat zij Badotherm verwijt al sedert 1993 of eerder drukmeters te verkopen die door derden zijn gefabriceerd en die aan de buitenkant exacte kopieën lijken van, althans sterke gelijkenis vertonen met de drukmeters van Nuova Fima.”

Lees het arrest hier.

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, 31 augustus 2007, A.R. 326/03-H.220/06, &-Eleven Inc. Tegen Laprior(Met dank aan Leonie Kroon, DLA Piper).

Antillenzaak over normaal gebruik. “De omstandigheid dat sinds 1988 op één van de eilanden van de Nederlandse Antillen een kleine supermarkt wordt gedreven onder de naam 7-Alive (Grocery) met een op 7- Eleven gelijkend beeldmerk, kan niet worden aangemerkt als "geldige reden" om geen normaal gebruik te maken van het merk.”

Lees het arrest hier.

IEF 4592

Diefstal van een octrooi

rm.gifGerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 februari 2007, LJN: BB2002. Klager tegen Beklaagde.

Strafzaak. Valsheid in geschrift, (poging tot) oplichting, diefstal van octrooi, overtreding van de Auteurswet en autodiefstal.

Klager stelt dat door hem een uitvinding is gedaan, zijnde een afzuigmond om stofvrij hakken en breken in de bouw mogelijk te maken, waarop hij octrooi heeft gevestigd. Omdat klager daartoe over onvoldoende financiële middelen beschikte, heeft hij met beklaagde in 2001 een BV opgericht. Klager stelt dat hij op enig moment bemerkte dat beklaagde informatie voor hem achterhield en zaken achter zijn rug om deed. Klager heeft vervolgens getracht zijn octrooilicentie uit de BV terug te trekken. Hierop heeft beklaagde een kort geding aangespannen, hetgeen het beginpunt was van een reeks civiele procedures. Klager stelt dat hij er als gevolg van deze civiele procedures achter kwam dat beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten, waaronder:

“Diefstal van octrooi: Klager stelt tenslotte dat beklaagde zijn octrooi heeft gestolen. Hij stelt dat beklaagde, door het achterhouden van informatie en het naar de buitenwereld doen voorkomen alsof alles met instemming van klager gebeurde, ervoor heeft gezorgd dat het octrooi bleef berusten bij de BV. Klager stelt dat het beklaagde slechts te doen is om het voor zichzelf houden van het octrooi.

(…) Gelet op het feit dat het octrooi thans feitelijk in handen is van de BV, waarvan beklaagde voor 50% aandeelhouder is, kan er naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van wederrechtelijke toe-eigening van het octrooi.”

“Overtreding van de Auteurswet: Ook stelt klager dat beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van de Auteurswet door het door TNO opgestelde rapport te gebruiken voor het tweede haalbaarheidsonderzoek. Volgens klager is het rapport van TNO letterlijk overgenomen in het tweede haalbaarheidsonderzoek, hetgeen volgens klager plagiaat is. Hierdoor vielen de kosten voor dit tweede haalbaarheidsonderzoek veel lager uit dan het subsidiebedrag, waarmee beklaagde zichzelf dus wederom heeft bevoordeeld.

 (…) Gelet op de uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, met name nu niet is gebleken dat door TNO enige actie is ondernomen tegen het tweede haalbaarheidsonderzoek, acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat er bepalingen van de Auteurswet zijn overtreden. Het hof acht voorts, zo al bewezen zou kunnen worden dat er bepalingen van de Auteurswet zijn overtreden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat beklaagde degene is die daarvoor verantwoordelijk is geweest.’

Lees het arrest hier.